De euro is een feit. En de euro is van ons allemaal. Dus waarom zouden we ons er nog druk om maken? Welnu, het welslagen van de euro is allesbehalve zeker; het blijft een experiment. Dwingt de euro tot politieke ingrepen, zoals verregaande politieke integratie, dan is het belangrijk te weten waarom. Gaat het mis, dan zal het goed doen geleerd te hebben waarom dat mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, was. Zou het toch goed komen met de euro, dan is het aardig te weten waarom dat een wonder is. Al met al, zijn dit goede redenen voor een econoom om stevig bezig te zijn met de argumenten voor en tegen de euro.
Als dit nog niet voldoende is, reken er op dat de euro, als de gulden helemaal verdwijnt, onderwerp van gesprek zal zijn tijdens de lunch, op familiebijeenkomsten, met collega's. Goede argumenten tegen en voor komen dan goed van pas. Alleen daarom al zal de discussie een kans dienen te krijgen in het leslokaal. Leerlingen zouden meer moeten kunnen dan het oplepelen van een aantal feitjes over de euro. Het is overigens mijn ervaring dat ze best warm kunnen lopen voor een serieuze discussie over de euro, tenminste als deze verder gaat dan de puur economische argumenten. Het lijkt me daarom zinnig de argumenten voor en tegen op een rijtje te zetten.
Eerst een aantal feiten.
De euro werd ingevoerd op 1 januari 1999. Dat betekende dat vanaf die maand de onderlinge koers van de munten van de deelnemende landen vast lag en dat giraal met euro's gerekend mocht worden. Elf landen deden mee, te weten Frankrijk, Duitsland, Italie, Spanje, Portugal, Nederland, Belgie, Luxemburg, Oostenrijk, Finland en Ierland, Zweden, Denemarken en Engeland kozen ervoor voorlopig niet mee te doen. Griekenland moest nog even wachten maar heeft inmiddels een akkoord gekregen. Daarom zal vanaf 1 januari 2002 in twaalf Europese landen de euro het enige wettige betaalmiddel zijn.
De beslissing tot de oprichting van de Europese Monetaire Unie, met de euro als gemeenschappelijke munt, werd vastgelegd in 1991 in het Verdrag van Maastricht. Inmiddels weten we dat deze beslissing ingegeven werd door een overeenkomst tussen Frankrijk en Duitsland. De twee Duitslanden zouden mogen herenigen als West-Duitsland haar machtige mark zou willen opgegeven. Voor de Fransen was dit een goede deal want voor hen betekent controle over een munt ultieme macht. Vandaar ook dat zij er zo op gebrand waren hun man als eerste president van de Europese Centrale Bank te hebben.
De Duitsers, maar ook de Nederlanders, wilden stevige garanties om te voorkomen dat de nieuwe gemeenschappelijke munt zwakker zou worden dan de sterke eigen munten. Daarom werd afgesproken dat ieder lidstaat aan een aantal criteria moest voldoen om mee te doen. Besloten werd tot de inmiddels beruchte vier criteria: een inflatie en rente die niet veel afweek van de laagste inflatie en rente in euroland, een tekort op de overheidsbegroting van niet meer dan 3 procent van het eigen BNP, en een overheidsschuld van minder dan 60 percent van het BNP. Later betreurde Delors, de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie niet ook een maximaal werkloosheidspercentage inbegrepen te hebben, want nu waren de criteria wel zeer eenzijdig financieel van aard.
Een aantal landen, waaronder vooral Nederland zagen de muntunie als onderdeel van een verregaande politieke unie. Daarom stond in het Nederlandse voorstel voor het verdrag van Maastricht een clausule over de vorming van een federaal Europa. De gedachte van Lubbers en Delors was dat een politieke unie de voorwaarde was voor een muntunie. Toen de federale clausules sneuvelden in de vooronderhandelingen (op de zogenaamde zwarte maandag), besloten de federalisten dat een muntunie die politieke unie wel zou afdwingen. De vraag aan hen is dan: wat als die politieke unie niet lukt? Wat mogen we dan van die muntunie verwachten?
Om te voorkomen dat de begrotingsdiscipline na de invoering van de euro losgelaten zou worden, werd het stabiliteitspact opgesteld en getekend. Hierin spreken de deelnemende lidstaten af hun begrotingstekort dicht tegen de nul procent te houden, niet de drie procent te laten overstijgen, en een boete te betalen als dat ze dat wel zouden doen. Dat pact moest de voorstanders van een harde euro gerust stellen. Dat zo'n pact weinig kans heeft wanneer een groot land de schuldige is, werd voor lief genomen. Die euro moest er hoe dan ook komen.
Een jaar voor de uiteindelijke beslissing leek de invoering van de euro nog onwaarschijnlijk. Alle grote landen voldeden niet aan het belangrijkste criterium, een overheidstekort van niet meer dan drie procent. Op miraculeuze wijze en met enig creatief boekhouden slaagden 11 landen op het laatste nippertje voor het examen. Met een overheidsschuld van meer dan 60 procent van het BNP werd genoegen genomen zolang er tekenen waren van een duidelijke daling. Daardoor konden ook Belgie en Italie slagen.
De weerstand tegen de euro onder de Europese burgers was steeds groot. De Denen mochten stemmen en waren tegen. De Fransen gingen heel nipt akkoord. De Duitsers en Nederlanders mochten in opiniepeilingen hun zorgen en twijfels uiten. Het maakte allemaal niet uit. Die euro moest er komen. De politieke toekomst van Europa zou er van afhangen. En misschien nog veel meer.
De euro is allereerst een politiek project. De gemeenschappelijke munt dient de politieke belangen van deelnemende lidstaten. Dat neemt niet weg dat de meest gehanteerde argumenten voor de euro economisch van aard zijn. Ik noem de belangrijkste en volg met een relativering en kritiek.
Motivering: bedrijven en toeristen hoeven geen geld meer te wisselen wanneer over de grenzen van eurolanden willen kopen en verkopen. Dat scheelt de kosten van het wisselen. Daarbij komt dat bedrijven zich niet meer hoeven in te dekken tegen de risico's van wisselingen in de koersen binnen euroland.
Kritiek: Gespaarde kosten zijn gederfde inkomsten. Banken zullen werknemers moeten ontslaan en natuurlijk zijn er banen verloren gegaan in de grenswisselkantoren. De uiteindelijke winst voor de Europese economieen blijkt gering te zijn en daarom wordt dit argument ook niet al te benadrukt, hoe voor de hand liggend het ook is.
Motivering: schommelingen in wisselkoersen zijn ineffectief voor het herstel van onevenwichtigheden in het internationale betalingsverkeer en verhogen alleen maar de onzekerheid.
Kritiek: Volg deze redenatie en je eindigt met een pleidooi voor een wereldmunt, de uno. Want waarom zou je nog dollars, yens en roebels hebben? Gewoon een munt voor de hele wereld. Toch niet, zeggen economen. Met een eigen munt heeft iedere economie een prijs. Gaat het slecht met een economie dan is een lagere prijs een snel en redelijk effectief middel tot herstel. Gaat het goed met een economie dan helpt een hogere prijs. Volgens de gangbare theorie heeft het zin voor een gebied (zoals een land) een eigen prijs te hebben wanneer binnen dat gebied kapitaal en arbeid redelijk mobiel zijn en de overheid via belastingen en bestedingen eventuele interne onevenwichtigheden kan matigen. Het gaat er dus om de "optimal currency area" te bepalen. Europa is niet zo'n gebied omdat vooral arbeid vrijwel niet mobiel over de Europese grenzen heen is (vraag maar wie van de leerlingen erop rekent in een ander Europees land aan de slag te gaan). Ook is er geen sprake van stabilisatoren op Europees niveau. Daarvoor is het budget van de Europese commissie te klein (ongeveer 2 procent van het Europese BNP terwijl de Amerikaanse federale overheid een budget heeft van ongeveer 30 procent van het Amerikaanse BNP). Het gevaar is dus groot dat de economische ontwikkeling van de verschillende lidstaten uiteen zal lopen en dat de Europese economie als geheel instabiel wordt.
Tegenargument: Onevenwichtigheden kunnen binnen landen opgevangen worden
Kritiek: Dat moge zo zijn, maar de internationale financiele wereld zal de Europese economie in haar geheel beschouwen, net zoals ze de Amerikaanse economie in haar geheel rekent. Gaat het in Texas slecht dan komt de gehele Amerikaanse in een kwaad daglicht te staan. Vandaar dat de Amerikaanse Federale overheid Texas bij problemen te hulp schiet. Gaat het in Frankrijk slecht, dan zullen de andere andere Europese landen Frankrijk de helpende hand moeten reiken. En dat kan alleen als de muntunie gesteund wordt door een sterke politieke unie.
Motivering: Economische integratie betekent toename in transacties met alle delen van de grote Europese markt. Net als in de VS is een gemeenschappelijke munt een voorwaarde voor een dergelijke integratie.
Kritiek: De grote Europese markt wordt steeds als het grote voordeel van de Europese integrate gezien. Men denkt daarbij vooral aan de grote bedrijven die nu zonder al te veel moeite hun produkten op een markt van ongeveer 350 millioen zielen kan afzetten, en dat voor dezelfde prijs. Alsof de grote bedrijven het zo slecht deden met kleinere markten. Alsof de relatief kleine Nederlandse markt een belemmering was de groei van het Nederlandse bedrijfsleven. Wellicht zullen grote conglomeraties van banken en culturele industrieen ontstaan om de gehele Europese markt te kunnen bestrijken. Dat is leuk voor de managers van die bedrijven en wellich zullen consumenten ervan profiteren (alhoewel, wat is er zo leuk aan om te bankieren bij een grote bankkolos?) Maar de grote markt zet ook de deuren wagenwijd open voor de multinationals uit Japan en de VS die nu niet meer iedere Europese markt apart hoeven te veroveren. Philips en andere Europese bedrijven verliezen in een klap het voordeel van hun kennis van de afzonderlijke markten die ze in de loop der jaren hebben opgebouwd.
Gaat het om de economische argumentatie, dan kan het vriezen en dooien. De economische wetenschap geeft hoe dan ook geen uitsluitsel over de voor- en nadelen van de euro. Veel vooraanstaande economen, waaronder Milton Friedman, Rudy Dornbusch, Paul Krugman en Sweder van Wijnbergen waren tegenstanders omdat Europa geen "optimal currency area" is. De grote Europese markt moet het stellen zonder effectieve aanpassingsmechanismes en daarom vrezen structurele onevenwichtigheden.
De belangrijkste argumenten zijn evenwel politiek van aard.
Motivering: De Europese Centrale Bank is zo opgezet dat ze strikt onafhankelijk kan opereren. Haar belangrijkste taak is er voor de te zorgen dat de inflatie in euro land beneden de twee procent blijft. Met zo'n geringe prijsontwaarding is de euro een harde munt.
Kritiek: Politiek onafhankelijk zal de Europese Centrale Bank nooit echt zijn. Iedere benoeming kan per slot van rekening politiek gemotiveerd zijn, zoals het geharrewar rond de benoeming van de Nederlander Wim Duisenberg tot eerste president duidelijk maakte. Belangrijker nog is dat de Europese Centrale bank haar doel nooit kan bereiken zonder politieke steun. Ze zal hoe dan ook politiek moeten opereren. Laat ik dit toelichten. Haar belangrijkste instrument om de inflatie te beteugelen is de rente. Een rente verhoging kan de groei van de geldhoeveelheid remmen, maar hoeft dat niet te doen. Bij hogere inflatie zal de rente zo zeer moeten stijgen, dat de kosten in termen van een recessie en hoge werkloosheid politiek onaanvaardbaar zullen blijken. In dat geval zullen overheden moeten meewerken door hun bestedingen in toom te houden en door druk uit te oefenen op de sociale partners om de loon-prijs spiraal te doorbreken. Daar is een sterke politieke unie voor nodig.
Inmiddels is gebleken dat de Europese Centrale Bank zich ook moet bemoeien met de externe waarde van de euro, d.w.z. haar waarde in termen van dollars en yens. De euro is de prijs van de Europese economie en daar heeft de ECB mee te maken vooral als een lage waarde van de euro de prijzen van geimporteerde produkten zoals olie verhoogt met algehele inflatie als gevolg. Die prijs kelderde gedurende 2000 met meer dan een kwart toen de de internationale gemeenschap het vertrouwen in de Europese economie verloor. Een belangrijke factor daarbij was de slechte indruk die de Europese politiek maakte, met het gedoe rond Oostenrijk bijvoorbeeld. Dus ook om die redenen kan de ECB niet zonder een stevig politiek klimaat in Europa.
Motivering: Een sterke munt betekent macht. Toen Engeland oppermachtig was, was haar pond sterling dat ook. Toen de VS het estafette stokje overnam tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd de dollar de wereldmunt. De beurt is nu aan Europa. Het grote voordeel zal zijn dat niet-Europese landen bereid zijn euro's aan te houden en dat zou kunnen betekenen dat we bijvoorbeeld voor olie in euro's kunnen betalen.
Kritiek: leuk is dat, al die macht. Ooit bedacht wat een land, of een samenraapsel van landen als de EU, er voor moet doen om die euro waar te maken? Engeland moest een wereldrijk vasthouden en beheren en de VS moet keer op keer met haar legers erop uit trekken om brandhaarden over de gehele wereld te blussen. Macht krijg je niet zomaar en hou je ook niet zomaar vast. Macht vereist een machtige buitenlandse politiek en een indrukwekkend leger. Met die euro zal Europa die richting wel op moeten gaan, of we dat willen of niet. Maar willen we wel een machtig Europees leger? Willen we wel ons ministerie van buitenlandse zaken sluiten om ons te schikken in het buitenlandse beleid van de Fransen, de Duitsers en, wie weet, de Engelsen?
Kritiek: De staten van Joego-Slavie waren ook economisch geintegreerd en hadden een gemeenschappelijke munt, de dinar. Daarmee was hun onderlinge vrede dus mooi niet gegarandeerd.
Een te innige onderlinge verbondenheid maakt de kans op fundamentele onenigheid eerder groter dan kleiner. Voor de lieve vrede kan het beter zijn goede vrienden te blijven en als zelfstandige eenheden samen te werken dan politiek en economisch te huwen. De Europese landen worden nu teveel van elkaar afhankelijk. Onenigheid op het gebied van buitenlands beleid of in zaken als het drugsbeleid en abortus kan aanleiding zijn tot verregaande ruzie en serieus conflict.
Iedere weerlegging van de argumenten voor de euro bevat reeds de argumenten tegen de euro. Laat me ze alsnog duidelijk formuleren en een paar toevoegen
Motivering: Alle succesvolle muntunies zijn steeds opgericht nadat sprake was van een hechte politieke unie, Vaak, zoals in het geval van de VS en de Nederlanden, nadat de politieke unie al tientallen jaren een feit was. De redenen heb ik reeds benoemd: a) een centrale bank kan alleen effectief zijn met politieke steun en daar is een sterke politieke unie voor nodig, b) om eventuele onevenwichtigheden te temperen, hebben de eurolanden een stevig gemeenschappelijk budget nodig en dat kan alleen met een sterke politieke unie (denk aan Europese belastingen) en c) een sterke wereldmunt moet ook politiek waargemaakt worden.
Dat die sterke politieke unie er zal komen is onwaarschijnlijk. De federatie is een taboe woord geworden. Het Europees leger komt zeer moeizaam van de grond en van een serieus gemeenschappelijk buitenlands beleid is nog geen sprake. (Wie denkt nu echt dat de grote landen hun aparte zetels in het IMF en de Verenigde Naties zullen opgeven? En hoe lang zal de VS dat nog accepteren?) Politieke integratie zal alleen nog moeilijker worden met de op komst zijnde uitbreiding met Oost-Europese landen.
Motivering: Het moet de sociaal democraten onder ons toch bevreemden dat ze in hun campagne voor een gemeenschappelijke munt zij aan zij staan met de grote bedrijven en machtspolitici. Natuurlijk klinkt het goed dat de munt leidt tot meer samenwerking en vraagt om meer onderlinge solidariteit. Maar het moet toch bevreemden dat de Europese democratie in de loop van de Europese operatie er nauwelijks beter op geworden is terwijl de macht van de nationale democratische lichamen ernstig verzwakt is. Verder is het opvallend dat de komst van de euro gepaard is gegaan met drastische bezuinigingen op overheidsbegrotingen en de daarmee samenhangende inkrimping van de collectieve sector. Beleidsconcurrentie zal die inkrimping alleen maar doen continueren.
Het democratisch tekort van Europa zal vooral schrijnend worden wanneer Europese burgers belasting direct aan Brussel moeten betalen zonder dat ze zeggenschap hebben over de bestedingen ervan.
Kritiek: En daarom moet het Europese parlement meer bevoegdheden krijgen.
Tegenwerping: hoe democratischer het Europese parlement wordt, hoe moeizamer het zal functioneren. Nu kunnen parlementsleden nog in hun isolement gezamenlijk door nationale barrieres heen tot overeenkomsten komen. Staan ze bloot aan kritiek van het thuisfront dan zal de transnationale saamhorigheid wel eens veel moeilijker vallen. Daarbij komt dat het Europese parlement te ver van de burgers zal blijven staan en dat een van een Europees middenveld geen sprake is. Een echt vitale democratie is op Europees niveau onhaalbaar, alle goede bedoelingen ten spijt.
Motivering: De vraag waarom het uiteindelijk draait is: in wat voor samenleving wens ik te leven? Wil ik in een groot machtig continent leven dan is het Europa met de euro wellicht een droom. Die droom wordt nog mooier als ik denk in termen van Europese samenwerking, soldariteit en vrede.
Hoe mooi die droom ook moge zijn, ik vrees dat het in werkelijkheid een nachtmerrie wordt. Ik voorzie grote interne conflicten vanwege de te grote onderlinge afhankelijkheden. Ik voorzie een ernstige ondermijning van democratische en sociale verworvenheden, en vrees dat een land als Nederland speelbal wordt in een belangenstrijd tussen de grote landen. Ik voel weinig deel uit te maken van een relatief gesloten, superrijk en arrogant continent met een sterk eurocentristisch karakter. (Als die solidariteit zo belangrijk voor ons is, waarom mogen Noord-Afrikaanse landen zich dan niet aansluiten?)
Daarbij vrees ik dat zo'n groot Europa met al haar verschillende tradities, verledens en culturen te verdeeld is om een hechte eenheid te zijn en een heuze politieke unie te vormen. Politiek slagvaardig zal dit grote Europa nooit zijn.
Er is daarom veel te zeggen voor kleinere politieke eenheden waarin een vitale democratie mogelijk is, alsook effectieve zorgzaamheid. In een kleine politieke eenheid kunnen alle partijen zich snel aanpassen aan veranderingen in de wereldeconomie en -politiek en desalniettemin een eigen identiteit handhaven. Kleinere politieke eenheden kunnen hun burgers het belangrijkste bezit gaven, te weten het bezit van het lidmaatschap van een gemeenschap die hen een stem geeft en het recht op zorg. Daarbij komt dat kleinere politieke eenheden noodgedwongen open dienen te staan voor de rest van de wereld, en samen moeten werken met andere politieke eenheden. Nederland is zo'n politieke eenheid. Nederland heeft goed gefunctioneerd als onafhankelijk handelsland, met een sterke sociale voorzieningen en een redelijk sterke democratie. Waarom dat alles prijsgeven voor een uiterst riskant experiment?
Kritiek: We kunnen niet anders, we moeten wel mee. Er is geen alternatief.
Tegenwerping: Zo'n cynische opstelling werpe ik verre van mij. Natuurlijk zijn er alternatieven, zoals het inzetten op kleinere, in plaats van grotere politieke eenheden. Misschien ziet de toekomst er nog niet zo somber uit. Met de uitbreiding zal de Europese integratie verwateren, de muntunie zal door fundamentele onenigheid over het een of ander uiteenvallen, en er zal sprake zijn van hergroeperingen. Nederlanders zullen zich weer sterk durven te maken om een klein en open, sociaal sterke en democratisch vitaal handelsland te zijn.