Schep ruimte voor de creatieve burger

by Arjo Klamer
NRC Handelsblad, Opinie: 2 august 2006

Dat het kabinet het creatieve vermogen in Nederland wilstimuleren is prima, maar daarbij staat het belang van deeconomie te centraal, betoogt Arjo Klamer.

 Het kabinet wil het creatieve vermogen in Nederlandstimuleren. Dat is verheugend. Het is wel jammer dat in debeleidsbrief Ons Creatief Vermogen: cultuur en economie' aan deTweede Kamer de bewindslieden van Economische Zaken en OCWweliswaar een terecht verband leggen tussen cultuur en economie,maar het zou van meer visie hebben getuigd indien zij de cultuurcentraal hadden gesteld en niet de economie.

Als cultuur niet alleen staat voor wat een groep mensen bindt,en waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen, maar ookvoor wat betekenis geeft aan het bestaan - dan moet cultuur hetdoel zijn. Wij leven niet om te werken en om geld te verdienen,maar wij werken en verdienen geld om iets van het leven te maken.Samen, alleen, thuis, op het sportveld of in de kerk.

Dat blijkt uit het toenemende aandeel van symbolische goederenin de economie. Mensen kijken televisie, gaan met vakantie,kopen mooie kleren, stijlvolle auto's, servies en ijskasten,bezoeken musea en theaters, gaan naar de kerk of volgen allerleicursussen in spiritualiteit en kunst omdat ze extra waarde aanhet leven willen geven. Sommige collega's spreken daarom graagover de belevingseconomie. Ik houd het erop dat mensen socialeen culturele waarden willen realiseren. Het gaat om een waardevolen dus betekenisvol leven.

Het gevolg van de toenemende behoefte aan betekenis is dat deeconomie van aard verandert. Ging het nog niet zo lang geledenom de productie van voedsel en zaken, nu gaat het steeds meer omde productie van iets ontastbaars, van iets ideƫels, vanbetekenissen dus.

Steeds meer mensen zijn daar mee bezig. Ze bedenkenconcepten, vormen, beelden die andere mensen aanspreken. Hetmaken van een auto is een kwestie van techniek en organisatie. Het zorgen dat een auto iets bijzonders heeft, een speciaalgevoel geeft, een begrip wordt, is iets heel anders. Het is alshet bedenken van een film, en het bedenken van de manier waaropeen film mensen zo fascineert dat ze die willen zien en eroverwillen praten.

De uitdaging in deze economie is het verzinnen vanactiviteiten, beelden en vormen die tot de verbeelding spreken. Het gaat dus niet alleen om kennis, maar om veel meer.

Het is goed dat het kabinet deze ontwikkeling onderkent. Maar,zoals boven reeds gezegd, de beleidsbrief is te economischgericht. Cultuur wordt opgevat als een productiefactor, als decreatieve input in het productieproces; creatieve mensen zijnvooral van belang wegens hun bijdrage aan de economischeactiviteit. Omdat bedrijven creatieve mensen hard nodig hebben,moeten zij culturele instellingen steunen, onder meer metdonaties.

Die culturele instellingen moeten zakelijker worden en meerinspelen op de behoeften van het bedrijfsleven - het zogehetencultureel ondernemerschap. Ze moeten hun merk te gelde maken,zoals het Van Gogh Museum in Amsterdam dat doet. Om dieeconomische gerichtheid van de creatieve medemens te bevorderen,wil de overheid het onderwijzen van cultureel ondernemerschapfinancieren, alsmede makelaars op de been helpen die de creatievesector en het bedrijfsleven met elkaar in contact gaan brengen.

Afgezien van het luttele bedrag dat de overheid wil inzettenom dit alles te bevorderen, 15,4 miljoen euro, zullen dezemaatregelen weinig effect hebben op ons creatief vermogen'.Zoals Richard Florida in zijn The Rise of the Creatvie Class(2002) en Sophie Schweizer in haar dissertatie over creativiteit(2004) hebben laten zien, heeft de creatieve mens eenondersteunende omgeving nodig om creatief te zijn. Creativiteitis mogelijk onder economische druk, maar zoals een creatievesamenleving als de Amerikaanse laat zien, heeft het juist ookvrijhavens nodig waarin mensen de verbeelding kunnen latenspreken zonder direct afgerekend te worden op het economischeresultaat. Daarom investeren Amerikanen veel in hoogwaardigeacademische settings waarin niet alleen de wetenschappen maar ookde kunsten bedreven worden.

In vergelijking met de ambtelijke Nederlandse universiteitengenereren die Amerikaanse instellingen zeer creatieve enstimulerende omgevingen. Het verkeren in gezelschap van mensendie intensief met iets nieuws bezig zijn, stimuleert om dat zelfook te doen. Via de meer praktisch ingestelde studenten stroomtdie energie vervolgens naar de economische praktijk.

Het gaat dus om het genereren van creatieve omgevingen en hetsteunen van die omgevingen. In de VS zijn het in de eersteplaats de Amerikanen zelf die die steun geven en pas in de tweedeplaats de overheid.

Het ideaal van creatieve wetenschappen en autonome kunstenstaat daarbij voorop. Zover zijn we hier in Nederland nog niet,zoals deze beleidsbrief laat zien.