Dienst Regenboogkerk

by Arjo Klamer
Preek Regenboogkerk te Hilversum: Hoop als een deugd, 13 mei 2007

Liederen: Psalm 98: 1,3; gezang 444: 1,2 en 3; gezang 304:1,2 en 3; Gezang 242: 1,7; Gezang 44: 1 en 3.

Schriftlezingen: Genesis 9: 12-17; Lucas 24: 13-35; Romeinen 8: 22-27

Uitleg en verkondiging

De dakloze zat er weer vroeg bij. Hij had zijn winkelkarretje voor zich uitgestald met een kartonnen doos voor het geld en een kartonnen bord waarop hij had geschreven dat hij mijn geld nodig had met de toevoeging: "I have hope; I have dreams". "Ik blijf hopen en dromen," wilde hij me verzekeren. Ik maakte me sterk dat die man daar in die Amerikaanse stad tien jaar geleden ook zat. Blijkbaar had hij ontdekt dat mensen meer geven aan iemand met hoop dan aan een hopeloos mens.

In de VS doe je het goed met een droom. Een droom betekent hoop. "I have a dream," scandeerde Martin Luther King vanaf het Lincoln memorial en gaf daarmee hoop op een beter Amerika, een Amerika zonder apartheid.

Hopen is niet zo gemakkelijk als het klinkt. De dakloze man heeft nuchter beschouwd in zijn uitzichtloze situatie weinig reden om te hopen, Martin Luther King had dat indertijd ook niet. Mijn vriend durft ook niet meer te hopen.

Hij heeft nu al weer enige tijd geleden gehoord dat hij botkanker heeft. Hij verkeert sindsdien in het medische circuit en praat van de weeromstuit uitsluitend over medicijnen, behandelingen, zijn lichaam, de bijverschijnselen, de lijdensweg die voor hem ligt, over doktoren die geen tijd voor hem hebben, slecht geïnformeerd zijn, het ook niet weten, over zijn medicijn dat 7000 dollar per maand kost—net als ik is hij econoom—, en over zijn werk dat eigenlijk niet meer gaat. Ik begrijp maar al te goed dat dit alles voor hem voorgrond is. Deprimerend is zijn verhaal wel. Alles is even ellendig. Hoor ik dat hij hoe dan ook door moet werken om zijn verzekering niet te verliezen, dan zinkt ook bij de moed in de schoenen.

En toch—ik moest het van hem weten: hoopt hij nog ergens op; betekent hoop iets voor hem in deze toestand? Hij keek me aan alsof ik er niet bij was. Hoop? "Wat koop ik er voor? Ik ga toch dood. Ach misschien zou ik moeten hopen dat het niet al te pijnlijk zal zijn."

Het meisje van acht hoopt op van alles en nog wat. Zoals op de ipod voor haar verjaardag, een mooie dag, iets leuks op school, een uitnodiging voor een verjaardag, of om later prinses te worden met een droomprins.

Wat is uw hoop? Waar hoopt u op? Op een betere wereld ? Op een kentering in uw leven? Op het eeuwige leven misschien? Wat is uw hoop?

Ons resten geloof, hoop en liefde, schrijft Paulus aan de Korintiërs (13—13)

Geloven en hopen: is dat niet hetzelfde? Als je gelooft hoop je en hoe kan je hoop hebben zonder geloof? Als mijn vriend nu eens zou geloven—het doet er misschien niet eens veel toe waarin—in iets, in ieder geval in iets dat groter is dan dit—dan zou hij niet zo hopeloos zijn. Niet toch? Martin Luther geloofde vurig en kon daarom zijn hoop vestigen op iets wat in zijn tijd onmogelijk leek.

Ik moet u eerlijk bekennen dat totdat ik me begon voor te bereiden op deze preek, hoop niet een onderwerp was waar ik me veel mee bezig had gehouden. Waarom zou je hopen als je gelooft? Zoiets dacht ik als ik mensen tegenkwam die het over hoop hadden. Hoe het onderwerp tot me kwam begrijp ik niet. Plotseling was het daar. Dat was waarover ik het moest hebben. Merkwaardig is dat toch. Zoiets beleef ik niet wanneer ik de wetenschap beoefen—ik bedoel dat dwingende gevoel iets aan te gaan waar ik weinig mee heb. Alsof het een heilig moeten is.

En toen kwam ik die dakloze man tegen. En ik ontdekte de verlammende gevoel dat een hopeloos verhaal geeft als dat van mijn vriend. En ik ontdekte hoe weinig hoop leeft als thema om me heen. Want niet alleen mijn vriend keek me vreemd aan toen ik hem naar zijn hoop vroeg. De meeste mensen doen dat, zo heb ik de afgelopen weken ontdekt. Hopen—hopen? Waar heb je het over? Wil je soms dat ik hoop op een leven na de dood? Hopen in deze wereld? Kom nou. Doe niet zo infantiel.

Om moedeloos van te worden.

Alleen het acht—jarige meisje wist het wel. "Hopen is iets willen terwijl je niet zeker bent dat het wel kan," wist zij. "Je hoopt dat een wens in vervulling gaat." Misschien moet je jong zijn om te weten wat hopen is. Of niet soms?

"Wij zuchten in onszelf" lees ik in de brief aan de Romeinen (8—23), "in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn." Waarom zouden we zuchten? We geloven toch? Maar we weten het niet. Of weet u het soms wel? De twijfel overvalt me steeds weer, en ieder keer weer haalt ze mijn geloof onderuit. "Geloof is gebaseerd op onzekerheid" lees ik in Unanumo, die oh zo inspirerende Spaanse filosoof (The Tragic Sense of Life in Men and Nations). Hoe kan dat, vraag ik me af. Hoe kan onzekerheid de basis zijn? Unanumo gaat verder: we geloven omdat we hopen—roept hij uit—uitroepen want zo schrijft de man—als één lange kreet. Het hopen doet geloven. Dat is gek want is hoop juist niet gebaseerd op een geloof? Als het achtjarige meisje gelooft in de droomprins die haar wakker kust, dan kan ze ook op hem hopen. Of is het toch andersom? Door vurig te hopen, begint ze er nog in te geloven ook.

Ik ga terug naar de bijbel en lees in Hebreeen 11: "Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien". Het geloof als grondslag: precies het omgekeerde van wat Unanumo uitroept.

De Emmaus gangers staan voor mensen die de hoop hebben laten varen. Ze vertellen aan de vreemdeling die met hen mee oploopt hoe gedesillusioneerd ze zijn nu hun meester is omgebracht. Hij was immers de belofte; hij zou Israel bevrijden. Nu is hij dood en alles is verloren, alles is voor niets geweest. Hun vertrouwen is weg. Hun hoop is vervlogen. Ja, het is wel gek dat zijn graf leeg is; een aantal vrouwen zeggen dat ze een engel hebben gezien die hen vertelde dat Jezus is weder opgestaan. Maar wie gelooft dat nu? De vreemdeling vermaande hen. Waren zij dan zo blind? Gaven zij hun geloof zo gemakkelijk op? Misschien dat Zijn woorden de leerlingen op gedachten brachten. Ze wilden in ieder geval dat de vreemdeling bij hen bleef. En toen Hij, Jezus, het brood brak, zagen ze het met eigen ogen en zij geloofden. En daarmee kwam de hoop terug.

Geloof heeft met vertrouwen te maken. Fides in het Latijns betekent geloof en vertrouwen. God gaf Noach, en daarmee ons mensen, reden om te geloven door Zijn verbond met ons mensen, met de regenboog als Zijn teken. Zie de regenboog en je kan vertrouwen op die belofte van God. Het geloof staat achter ons, geeft ons een steun in de rug. Geloven in jezelf betekent met overtuiging jouw verhaal kunnen vertellen, jouw heden kunnen verbinden met het verleden. Geloven in deze wereld is niet veel anders. En zo gebeurt ook het geloven in God. Geloven in God is Zijn verhaal kennen.

Hopen is uitreiken naar de toekomst, naar iets wat niet is. Hopen is verlangen naar een waarheid van wat we niet kunnen zien. Hopen kunnen we tegen beter weten in. Samuel Johnson noemde het tweede huwelijk een triomf van hoop over ervaring. Je zou beter moeten weten. Hoe dwaas om het nog eens te proberen. En toch, we hopen tegen beter weten in. Wat zouden wij mensen zijn zonder hoop. We zouden tot niets komen.

De Emmaus gangers geloofden omdat ze met eigen ogen Jezus het brood zagen breken; en daardoor konden ze weer hopen op iets dat ze onmogelijk konden zien.

Hopen maakt ons menselijk. Hopen geeft ruimte; het verlangen dat in de hoop verschijnt, doet leven.

Een geloof dat te sterk is, te hermetisch, laat geen ruimte voor de hoop. Voor fundamentalisten betekent hoop weinig. Ze weten het toch zeker. Zij geloven zonder enige twijfel. Hun geloof is absoluut. En daarom hoeven ze niet te hopen. De martelaar die zich opblaast weet gewoon zeker dat hij in de hemel zal komen in het gezelschap van vele maagden. Zijn geloof ontbeert de hoop.

Maar wat te zeggen van degenen die alle geloof hebben laten varen? Ik denk nu jammer genoeg aan teveel mensen om mij heen, die net als de Emmaus gangers gedesillusioneerd zijn, hun bekomst hebben gehad van hun goedgelovigheid in een droomprins of droomprinses, in een betere wereld misschien, of in een God op wie ze kunnen vertrouwen. Zij zijn cynisch geworden en dat betekent dat zij niet alleen niet meer geloven maar ook gestopt zijn te hopen..Zij zijn hopeloos zou je kunnen zeggen. Hoe verleidelijk is dat cynisme. Ik voel het bij mijn vriend en ik voel met hem mee. Zou ik dat in zijn positie niet zijn dan? Oh, ik hoop zo van niet. Cynisme slaat dood. Soms vrees ik dat deze samenleving cynisch is geworden. Hoor het geweeklaag over een samenleving die alleen maar harder en killer wordt, waar hebzucht de boventoon voert, waar geldzucht de ondergang betekent van een grote Nederlandse bank. Inderdaad, om cynisch van te worden.

Maar dat kunnen en willen we niet laten gebeuren. Zonder geloof in eigen kunnen en zonder hoop op verbetering zijn cynici geen partij voor mensen met een absoluut geloof. Zonder geloof en zonder hoop is mijn vriend geen partij voor de dood; en hij heeft daarom geen leven meer.

Wat is een leven zonder geloof. Wat is een leven zonder hoop. Heb de moed te hopen. Daar geeft God, die zijn Zoon naar ons gezonden heeft als een teken van Zijn verbond, ons alle reden toe. Hopen op wat?

Hopen betekent niet leven in de toekomst. Het is niet dat ik hoop dat mijn vriend zich al in het hiernamaals waant. Dat kan het niet zijn.

Denk nog eens aan die dakloze man. Zijn hoop bestaat er niet in dat hij blijft geloven ooit nog eens rijk te worden—wat hij daarover ook zegt; zijn hoop spreekt uit hoe hij daar zit. Hij aanvaardt zijn lot en gelooft erin en in dat geloof is hij geheel aanwezig. In zekere zin vertelt het meisje hetzelfde. Hopen betekent nu, op dit moment, te leven, om dankbaar te kunnen zijn voor het leven nu. Om niet afgeleid te worden door teveel ontnuchterende kennis, om niet overmand te worden door angst, door leegte, of desillusie, verveling. Dat alles leidt ons af van het nu. In die omarming van het nu geloven we niet alleen, maar hopen we ook. Ik vind het vreselijk moeilijk—het is oh zo gemakkelijk om afstand te nemen, maar in de beleving van het nu, ervaar ik de verlangen naar het goddelijke. En dat is hoop. Begrijpt u dat? Herkent u dat?

Oh ik zou mijn vriend die aanwezigheid zo graag gunnen. Ik zou zo graag zien dat hij het nu kan omarmen door de pijn heen.

En als dat allemaal niet lukt, als de situatie hopeloos blijft?

Vlak voor ze op transport werd gezet schreef Etty Hillesum in een brief: "De meesten zijn hier veel armer dan men zou behoeven te zijn, omdat men het verlangen naar vrienden en familie op de verliespost van het leven boekt, terwijl toch eigenlijk het feit dat een hart zozeer in staat is om te verlangen en lief te hebben, tot de kostbare goederen gerekend moeten worden."

Als alles hopeloos lijkt, als het hart niet meer gelooft en hoopt, dan is de liefde nog de redding. Geloof, hoop, en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

Amen.