De waarde van Klassieke werken

door Arjo Klamer
Hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit en decaan van Academia Vitae
Beyers Naudée lezing, Beyers Naudée Gymnasium te Leeuwarden, December 2007

 Waarom zouden we geïnteresseerd zijn in klassieke teksten en werken? Waarom zouden we de stukken van Sophocles en Euripides willen blijven zien? Waarom zouden we Plato en Aristoteles lezen? En wat te zeggen van de Bijbel? Waarom onze kinderen lastig vallen met de essays van Montaigne, Proust, Virginia Woolf, Jane Austen en Emily Dickinson? Max Havelaar? Bach? Leonardo da Vinci? Jip en Janneke?

Waarom? Tegen al de scepsis en onverschilligheid in roep ik, daarom! Oomdat de klassiekers er nog steeds toe doen. Omdat hun gedachtegoed zo diep verweven is met het weefsel dat beschaving heet, dat ze ons blijven voeden, of we dat nu beseffen of niet. Omdat bewuste aandacht er toe bijdraagt dat een klassieker een bron van inspiratie blijft. Omdat een klassieker te denken geeft over wat ons vandaag de dag bezig houdt. Want dat kenmerkt een werk dat we een klassieker noemen: het blijft van waarde. Bewuste aandacht zal er toe bijdragen dat de klassieker vitaal blijft en doorwerkt. Je zou dat het maatschappelijke effect van een daadwerkelijke belangstelling voor de klassiekers kunnen noemen. Aandacht voor de klassiekers drukt ons niet terug in het verleden, zoals de sceptici willen beweren. Ik zou eerder het tegendeel beweren: het wapent ons voor de toekomst.

Waarmee niet gezegd is, dat bestudering van de klassiekers een garantie is voor een goed leven. Een SS officier kon immers in de avond met veel gevoel de cantates van Bach beluisteren om de volgende ochtend zijn beulswerk weer op te pakken.

* * * *

Misschien helpt het als ik kort vertel hoe ik overtuigd ben geraakt van de waarde van klassiekers. Mijn verhaal herken ik in dat van vele anderen, dus wellicht vertelt het iets over het tijdsbeeld van de afgelopen halve eeuw. Na een geestelijke jeugd die me in hogere sferen voerde, viel ik rond mijn dertiende stevig van mijn geloof af. Ik bekeerde me tot de rationele benadering die ik in de wetenschap herkende, met de econoom Jan Tinbergen als het grote voorbeeld. Gedreven als hij was door het ideaal van gelijkheid en rechtvaardigheid had hij een herkenbare missie. Maar hij was vooral een man van de wetenschap die met behulp van wiskunde de wereld in modellen wist te vatten. Zijn missie leek me navolgenswaardig, en die wetenschap van hem kwam me betrouwbaar en stevig over. Ik koos voor econometrie.

Als er een wetenschap is die wars is van klassiekers dan is dat wel de econometrie. In die wetenschap gaat het om de allerlaatste techniek en de nieuwste methode. Het gaat erom grensverleggend bezig te zijn, en dat kan je alleen op de grens van het wetenschappelijke vermogen. Onlangs hoorde ik nog een collega hoogleraar econometrie met trots verkondigen dat hij zijn studenten nooit een artikel laat lezen dat ouder is dan twee jaar. Het werk van economen die u zou kennen, is immers achterhaald en dus hoogstens voer voor historici. Althans dat vindt hij.

In de VS studeerde ik eerst aan Duke, een universiteit in de zuidelijke staat North Carolina. Daar kwam ik in gesprek met mensen in andere disciplines en ontdekte voor mij onbekende werelden. Een historicus liet me zien wat er te winnen was bij historische kennis van de Amerikaanse burgeroorlog, een filosoof wist me ertoe te bewegen de wereld van de Duitse filosoof Hegel te exploreren-hij had per slot van rekening Marx geïnspireerd--, en een sociologe leerde me iets over cultuur, een concept dat nog niet was voorgekomen in de economische handboeken die ik had bestudeerd. Mijn eigen onderzoek zette me aan het denken over de eigenaardigheden van de wetenschap die ik zelf trachtte te beoefenen. Ik begon breder te lezen om te ontdekken hoe weinig ik wist. Het moet de invloed zijn geweest van wat ze daar de liberal arts noemen, de beoefening van de wetenschappen alsook de kunsten naast elkaar. Voor de vorming van de geest, zoals ze dat daar durven te noemen. Ik zelf ervoer deze periode inderdaad als vormend. Zo had ik nog niet eerder gedacht.

Toen ik vervolgens ging doceren aan Wellesley College, een typisch liberal arts college dichtbij Boston (college, dat is de naam voor de eerste vier jaar van de universiteit) , begon het me duidelijk te worden wat een studie in de liberal arts kon betekenen. Zo leerde ik van een Koreaanse studente die naast economie ook architectuur studeerde over het modernisme. Zij associeerde het modernisme met wat de kunsten van de twintigste eeuw lieten zien-de hang naar abstractie, naar wat nieuw en avant garde is, en naar een universele taal die niet gebonden is door plaats, tijd en cultuur-maar ik zag mijzelf en mijn wetenschap in dat beeld. Want ging het daar juist ook niet om zo abstract mogelijk in de universele taal van de wiskunde de werkelijkheid te representeren in steeds maar nieuwe vormen? Het kwam als een inzicht dat me sindsdien niet verlaten heeft. Het streven van Tinbergen en zovele andere economen, zo begon ik in te zien, ademde de tijdsgeest van het midden van de twintigste eeuw die zich onder meer onderscheidt door een geloof in het maakbare, in de rede, in de vooruitgang ook. Ik realiseerde me dat alle denken met de tijdgeest mee verandert.

In die tijd ontdekte ik ook de retorica. Alasdair MacIntyre, een filosoof, had me erop attent gemaakt na het lezen van mijn werk. Tot dan toe had ik daar niet van gehoord. Nu begrijp ik waarom. De modernisten onder wie ik mij had opgehouden, hadden de kunst van het overtuigen afgezworen als een discipline die overbodig was geworden door de toepassing van de logica. Niet dus. Door de retorica te omarmen, ging ik tegen de tijdsgeest in. Ik vond steun bij enkele collega's in de filosofie, de politicologie en de taalwetenschappen.

Voor mij betekende al die nieuwe kennis een verrijking. Langzaam drong het tot me door dat die nieuwe kennis eigenlijk heel oude kennis was die vele eeuwen terug ging. In het geval van de retorica zelfs meer dan twintig eeuwen, tot het werk van die klassieke filosoof met de naam Aristoteles. Dat ik nu nog kon leren van een eeuwenoude bron, kwam als een openbaring.

* * * *

Een aantal jaren geleden nam ik het initiatief tot de oprichting van een nieuwe universiteit, Academia Vitae, gewijd aan de beoefening van de liberal arts en bestemd voor studenten in alle mogelijke stadia van het leven. De nadruk in haar curriculum ligt op de bestudering van de klassieke teksten, oftewel de bronnen van de beschaving. Juist daarom noem ik de Academia Vitae graag de universiteit van de toekomst, overtuigd als ik ben dat kennis van die werken ons kan uitrusten voor de uitdagingen van het leven en samenleven nu. U ziet, een verhaal kan gek lopen.

Mede dankzij taalwetenschappers realiseer ik me al te goed dat de Academia Vitae indruist tegen de vernieuwingsdrift van de modernisten en de relativering van de zogenaamde postmodernisten die na de modernisten de discussies in het culturele en wetenschappelijke veld beheersen. Waar de postmodernisten alles dat enigszins vaststaat ontrafelen en niets willen weten van een canon, een identiteit, of duidelijke waarden, zou ik me juist sterk willen maken voor het onderzoek naar de waarden die mensen binden, naar de tradities die het heden gevormd hebben, en naar de eigenaardigheid van de rollen die u en ik hebben in dit leven. Hoe belangrijk het losmaken van vastgeroeste beelden ook is, de zucht naar openheid en totale vrijheid kan te ver doorslaan. Bewustzijn van de tradities die ons gevormd hebben, van de invloed van oude gedachten en ideeën, van de geschiedenis ook die mensen delen, biedt tegenwicht tegen het hyper makende gevoel dat alles voortdurend verandert. Kijk, en dat heb ik van die oude rakker Aristoteles geleerd. Oosterse wijzen kunnen u overigens ook aanzetten tot het zoeken naar het voortreffelijke midden, maar ik heb het nu eenmaal van de grote Griekse filosoof.

Horen Oosterse teksten erbij? Tellen de teksten van Loa Tze als een klassieker? Wat te zeggen van Jip en Janneke? Een discussie over wat al dan niet als een klassieker telt, wordt gauw heftig en emotioneel. Dat toont gelukkig de waarde van die klassiekers voor ons. Ik houd het erop dat ieder werk dat haar waarde blijft bewijzen door de generaties heen, een klassieker is. Jip en Janneke zou dat kunnen worden, althans in een Nederlandse context, maar dat zal nog moeten blijken.

* * * *

Persoonlijke verrijking

Daarmee kom ik op een eerste belangrijke reden om klassiekers serieus te nemen: het bestuderen van klassieke werken inspireert. Ze sporen aan na te denken over wat u en mij vandaag de dag bezig houdt. Op de Academia Vitae word ik dagelijks bevestigd in deze overtuiging. Of we nu de Overpeinzingen van Aurelius lezen, Isaiah Berlin over vrijheid, de opstellen van de natuurkundige Feynman, Descartes, de Ethica Nichomachea van Aristoteles of zijn Retorica, een willekeurige dialoog van Plato, naar een film kijken als Dogville van Lars von Trier, of luisteren naar een opera van Wagner, iedere keer wordt ik getroffen door de impulsen die deze werken geven voor het onderzoek van vragen die studenten bezig houden.

Aan de ene kant is er de opwinding kennis te nemen van het gedachtegoed van grote en beroemde geesten. Vooral de professionele studenten die naar de Academia Vitae komen, zijn daar gevoelig voor. Ze zijn meestal blij verrast dat die oude geesten hen zo direct aanspreken. Zo stond een oud bestuursvoorzitter van PriceWaterhouseCoopers, een groot accountantskantoor, versteld dat het eerst ondoordringbare proza van Spinoza na enige uitleg van de Spinoza-kenner Wieb van Bunge, zijn eigen vermoedens over de betekenis van religie en individuele verantwoordelijkheid richting gaf. Het onderzoek van deugdelijk handelen aan de hand van Aristoteles en Seneca leidt veelal tot emotionele confrontaties met morele dilemma's waarin de studenten zich vinden. Een film als Dogville werkt ontluisterend voor iemand die graag wil geloven in de eigen goedheid, zeker wanneer we de bespreking koppelen aan een werk van Schopenhauer. Een toneelspel van Euripides blijkt akelig modern te zijn, en de eerst raadselachtige muziek van Schonberg kan in de uitleg van de musicus Ralph Raat ongekende emoties losmaken-om vervolgens nog iets over de werking van muziek duidelijk te maken.

Wilt u een welklinkende bevestiging van deze indrukken, dan zou u Matthew Arnolds erop na kunnen slaan, de grote Britse dichter. Zijn Lectures and Essays in Criticism zouden de meer weerbarstige geesten ontvankelijk kunnen maken voor de geneugten van eruditie, van het vermogen de bronnen van de beschaving aan te boren, en het gesprek met de grote geesten aan te gaan. Laats las ik in Machiavelli, een andere bron voor inspiratie, hoe hij zich in een mooi gewaad hees alvorens hij zijn studeerkamer betrad, zo bijzonder vond hij dat gesprek. Ook Montaignes, de Fransman die de kunst van het essay uitvond, kan mij warm maken voor het verkeren in gezelschap van grootse ideeën en gedachten. Waarmee ik maar wil zeggen, dat u mijn pleidooi niet van mij hoeft aan te nemen. Ik leun zwaar op de schouders van zovele zwaargewichten die u en mij voorgegaan zijn. Bronnen van inspiratie te over.

* * * *

Een bijdrage aan het goed leven

Klassiekers kunnen ook richting geven aan het leven in de zin dat ze ons op gedachten kunnen brengen wat te doen, hoe te handelen, oftewel hoe goed te leven. Althans dat is mijn ervaring. In mijn jeugd was de Bijbel de klassieker die deze rol had. En nog steeds wenden mensen zich tot deze tekst om troost te putten, hoop te ontlenen en vertrouwen in een onzekere toekomst. De Bijbel geeft te denken over de betekenis van agape, de al-liefde (een begrip dat mijn jonge studenten en mijn spelling checker vreemd blijkt te zijn), over barmhartigheid ook en genade en verzoening. De Bijbel vertelt de verhalen die diep doorgedrongen zijn in onze ziel, althans zo lijkt het, zozeer dat we ons moeilijk buiten die verhalen kunnen voorstellen. We weten nu dat de geschriften van Lao Tze, de I Ching en vele andere oosterse bronnen gelijksoortige wijsheden bevatten. Ik en Gij van Martin Buber wijst ons op het mystieke van de relatie met de ander, een inzicht dat versterkt wordt in het schrijven van Levinas.

Al deze geschriften confronteren mij met het ondoordachte van het eigen handelen, de vele inconsistenties daarvan ook, en de slapheid, onhandigheid en het onverantwoorde van zovele daden. Door dit inzicht met anderen in gesprekken te delen en door de verbinding aan te durven met het hier en nu, leer ik zonder twijfel beter hoe ik vader wil zijn en vriend, en hoe ik leiding wil geven als hoogleraar en decaan van de Academia Vitae.

De bijbel spoort aan tot geloof, hoop en liefde. Zonder hoop wordt het leven uitzichtloos, zonder geloof zijn we overgeleverd aan de spelingen van het lot en zonder liefde verdwijnt alle glans. Aristoteles, zeker in zijn Ethica, laat mij zien dat voortreffelijk handelen ontstaat uit het vermogen het juiste midden te vinden. Een goede docent heeft aandacht voor zijn student. Dat weet ik. Maar van Aristoteles, en van de uitleg die iemand als Paul van Tongeren van zijn denken geeft, heb ik geleerd dat er ook teveel aandacht kan zijn, bijvoorbeeld wanneer hierdoor de student te weinig ruimte voor het zelf denken heeft, of te weinig, zodat de student zich niet gekend voelt. De voortreffelijke docent heeft daarom precies genoeg aandacht voor zijn of haar student. Een goede vader weet het midden te vinden tussen een overdaad en het gebrek aan sturing. Ik kan mijn kind niet dwingen de klassiekers te lezen, maar ik wil haar ook niet aan haar eigen lot overlaten.

Daarom durf ik te beweren dat bestudering van en het spreken over de klassiekers kunnen bijdragen aan het goed en bewust leven. Maar een garantie biedt een dergelijke toewijding niet. En ik zou ook niet durven beweren dat zonder kennis van de klassiekers het goede leven buiten bereik is. Ik herinner me nog maar al te goed hoe George Steiner, een warm pleitbezorger van de kennis van klassiekers, deze bedenking aankaartte in de televisie gesprekken Van de Schoonheid en de Troost. Hij verwees naar de erudiete SS beul. Zelf denk ik aan alle geleerden die zich tal van klassieke werken hebben eigen gemaakt, en toch vrij huleloos zijn in het dagelijkse leven. Onlangs moest ik nog getuige zijn van grote wanorde en onmin in een gezelschap van mensen die zich verdiept hebben in oosterse teksten en daarbij nog mediteren ook. Al hun wijsheid en goede wil konden een uiteenspatting met veel onaardigheid niet voorkomen. De omzetting van kennis van het goede in het daadwerkelijk ernaar handelen is een voortdurende oefening. Ik zelf heb daar de hulp nodig van verschillende leermeesters: mensen in het hier én de grote geesten uit het verleden wier gezelschap ik steeds weer zoek. Zo leer ik dat het gaat om bewuste aandacht, om "mindfulness" zoals de Oosterse wijze zou zeggen.

* * * *

Maatschappelijke bijdrage

Vanzelfsprekend doen hedendaagse teksten ertoe. Ook ik blijf lezen in de nieuwste tijdschriften, raak gefascineerd door voortschrijdende kennis over de wereld van de natuur, ons lichaam, de vermogens van apen, veranderingen in de politieke en economische wereld en hedendaagse literaire schrijvers. Het nieuwe doet ertoe. Dus ik zou niet zover willen gaan als de mensen van St Johns College in de VS die het liberal arts onderwijs willen beperken tot de bestudering van de klassiekers. Maar in mijn curriculum spelen de klassiekers een vooraanstaande rol niet alleen omdat hun bestudering een persoonlijke verrijking betekent en bij kan dragen aan het goede leven, maar ook omdat gedeelde kennis van de klassiekers van maatschappelijke betekenis is.

Juist in een tijd met een overdaad aan mogelijkheden, met een onmetelijke hoeveelheid kennis die met enkele klikken op ons computer scherm verschijnt, met zoveel nieuwe teksten iedere dag weer, is het van belang bepaalde kennis te kunnen delen met anderen, en het besef te houden dat de nieuwe kennis een geschiedenis heeft, vrijwel altijd ontleend is aan eerdere bronnen, dat wij een beschaving hebben die geweven is met bijdragen van tal van grote geesten door de tijden heen. Juist in deze tijd, met zoveel mensen in deze Nederlandse samenleving die de christelijke religie hebben afgezworen, lijkt het mij van groot belang dat wij de Bijbel serieus lezen, bestuderen en onderwijzen opdat onze kinderen tenminste begrijpen wat hun beschaving gevormd en bepaald heeft, waar hun manier van spreken en denken vandaan komt, en wat het betekent religieus te zijn. Want zonder die kennis, begrijpen we onze eigen cultuur niet, kunnen we de meeste kunstwerken in musea niet begrijpen, maar zijn we ook niet gewapend tegen mensen uit andere culturen die wel een geloof omarmen en zich bekennen tot een uitgesproken religie.

Evengoed is het van belang dat de mensen die leiding geven in welke context ook, zich bewust zijn van de waarden die ons gevormd hebben, van de geschiedenis die aan het heden voorafgegaan is, van de veranderlijkheid van de dingen, en van het eigenaardige van dat wat ons nu bepaalt. Het helpt als bij welke onenigheid ook wij kunnen terugvallen op een gemeenschappelijke bron, om snel door te hebben waar het over gaat, om voorbeelden binnen handbereik te hebben. Dat als ik zeg "dat is ons kruis" of "Sophie's choice" dat u direct weet waar ik het over heb, dat u dezelfde context kent, zodat we verder kunnen. Dat ik Max Havelaar noem en dat u weet waar hij voor staat, dat iemand iets over de Islam beweert, en dat u en ik daar direct doorheen prikken omdat we beter weten (waarbij ik aanteken dat ik juist daarom meer over de Islam zou willen weten.)

Ook maatschappelijk staat kennis van klassiekers niet garant voor een betere samenleving. Al ben ik overtuigd dat het onderwijs in de liberal arts dat veel Amerikanen hebben gehad mede verantwoordelijk is voor de creatieve kracht van hun samenleving, het moge duidelijk zijn dat ze tal van misstanden en onhebbelijkheden van die samenleving niet weet te voorkomen. Er is meer nodig dan kennis alleen. Ik zelf geef de voorkeur aan de waarden van redelijkheid en rechtvaardigheid die ik in deze samenleving zo sterk aanwezig zie. Maar die waarden houden we niet zo maar vast. Onze kinderen raken ze kwijt als we niet met hen terug gaan naar de vele bronnen die dergelijke waarden verwoorden en gestalte geven. Daarom hebben de klassiekers maatschappelijke waarde.

* * * *

Klassiekers hebben ook wetenschappelijke en kunstzinnige waarde. Of je nu wetenschapper of kunstenaar wil zijn, je doet er goed aan je klassiekers te kennen. Als econoom wist ik wel dat Adam Smith de vader van ons economen werd genoemd, maar pas toen ik zijn Wealth of Nations ging lezen, ontdekte ik wat dat betekende. En toen ik zijn Theory of Moral Sentiments, een boek dat een eeuw lang in de vergetelheid was geraakt, aangereikt kreeg, ontdekte ik dat we hem verkeerd hadden gelezen, dat er een belangrijke culturele en morele kant was aan zijn denken en dat als we die serieus zouden nemen, we een andere kijk op de economie zouden hebben. Voor mij bepaalt dat inzicht mijn huidig onderzoek. Het ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan mijn laatste boek in het Nederlands, In Hemelsnaam! over de economie van overvloed en onbehagen. Ook kunstenaars ontdekken steeds weer in de oude meesters een bron van inspiratie voor hun werk.

* * * *

U begrijpt het: ik maak me sterk voor de klassiekers in het curriculum. De klassiekers maken duidelijk wat de bijdrage van iemand als Beyers Naudé betekent, hoe de christelijke traditie hem gevormd heeft, wat de zijn strijd voor rechtvaardigheid inspireerde. Het gymnasium zou meer dan welke school ook, dienen te staan voor de klassiekers, wellicht meer dan het gymnasium van nu doet. En ik maak me sterk om klassiekers terug te brengen in het curriculum van het wetenschappelijk onderwijs. Het kan niet zijn dat onze studenten zonder enige kennis van Aristoteles, de bijbel, Confucius, Bach, Adam Smith, Einstein en, wie weet, Jip en Janneke, door het leven moeten. Wij, de docenten, doen daarmee niet alleen hen persoonlijk te kort, maar we dragen op die manier ook bij aan het verlies van het gevoel waar we in deze samenleving voor staan.