Grenzen doen er toe

by Arjo Klamer
Economische Statistische Berichten, Utrecht, 2003, pp. 172-173.
Jaarboek 2002/2003 van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde
cat: practice of economics

De economische theorie heeft weinig met grenzen. Het beeld is van een grenzeloze wereld waarin rationele individuen opereren in een eindeloze keten van markten. Ergens aan het einde van het boek pas onderkennen we het feit dat er grenzen bestaan en dat we daarom een theorie van internationale betrekkingen nodig hebben. Maar waarom die grenzen er zijn? Een economische verklaring ontbreekt.

De verwaarlozing van het fenomeen grenzen speelt ons parten in een discussie als over de uitbreiding van de Europese Unie. Ons economisch instinct vertelt ons dat het verdwijnen van grenzen goed moet zijn voor de economie. Dus moet die uitbreiding wel goed zijn. Maar klopt dat wel?

Een van de weinige economen die zich met dit onderwerp is de Italiaanse Harvard econoom Alberto Alesina. Hij maakt duidelijk dat we alle redenen hebben om economisch over grenzen te denken. Het gaat erom of de grootte van landen er toe doet, of groter beter is, of juist niet. Zoals altijd bij een economische redenering hangt het antwoord af van een aantal omgevingsvariabelen. Maar belangrijk is wel te beseffen dat groot niet per definitie beter is. En dus is de uitbreiding van de Europese unie ook niet zonder meer een goede zaak voor de economie.

Wat pleit voor grotere landen zijn factoren als de verlaging van de kosten van publieke goederen per hoofd van de bevolking (defensie, justitie, monetaire systeem etc.), de veiligheid, stabiliteit (een recessie in een regio kan opgevangen worden door een financiele overdracht vanuit de rijkere regio's), en de schaal van de markt. Dit zijn allemaal argumenten die voorstanders van de uitbreiding noemen. Het waren overigens ook de argumenten die Madison en andere Amerikaanse federalisten hanteerden bij hun pleidooi voor de Verenigde Staten van Amerika. Samen sta je sterker, nietwaar?

Tel je al deze factoren bij elkaar op dat zou je verwachten dat landen alleen maar groter zouden worden. Maar dat is niet zo. Sinds 1946 worden landen alleen maar kleiner. Het aantal landen is bijna verdrievoudigd, van 76 in 1946 tot 192 nu. En kijk eens naar de grootste landen: China, India, Indonesie, de VS en Brazilie. Slechts één daarvan heeft een sterke economie. Onder de tien rijkste landen is maar één groot land, de VS; de anderen hebben 7 miljoen inwoners of minder. Groot gaat niet samen met economisch sterk. Dat geeft te denken.

Alesina wijst erop dat hoe meer ondemocratisch en protectionistisch de wereld is, hoe groter landen neigen te zijn. Dictators denken groot. En wordt de handel belemmerd door protectionisme alom dan is een vergroting van de thuismarkt een economische noodzaak. Maar totalitaire regiems zijn op de terugtocht en mede dankzij de WHO worden markten overal toegankelijker. De noodzaak voor een grote thuismarkt verdwijnt daarmee. Liberalisering vergroot dus het economisch bestaansrecht van kleinere landen.

Het voordeel dat kleine landen hebben, is hun homogeniteit. Hoe minder de preferenties in een land uiteenlopen, hoe gemakkelijker het wordt de publieke goederen te beheren. Korte lijnen, herkenbare leiders, en goed ontwikkeld sociaal kapitaal zijn niet alleen bevorderlijk voor een solide politieke constellatie van een land, maar kunnen ook bijdragen aan positieve externaliteiten. Innovatieve bedrijven doen het vaak goed in kleine landen. Denk maar aan Philips in Nederland en Nokia in het nog kleinere Finland. (En weer is de VS de uitzondering die de regel moet bevestigen.)

Kleinere landen hebben ook het vermogen meer aandacht te besteden aan zaken als de sociale en culturele kwaliteiten van hun samenleving. De grote Griekse filosofen Plato en Aristoteles wisten dat al. De reden is wederom een sterker sociaal kapitaal (al noemden zij het anders). Tel je al deze overwegingen bij elkaar op, dan is er juist veel te zeggen voor kleinere landen en wordt het streven naar een groot Europa met een grote markt en een gemeenschappelijk financieel, economisch, buitenlands, en wellicht ook wel sociaal beleid bedenkelijk. Was dit streven nog gepast ten tijde van Madison, nu in een steeds vrijere wereldeconomie, is het achterhaald.

Merkwaardig is daarbij dat vooral de rijke regio's in Europa zich sterk maken voor uitbreiding, terwijl zij juist de nieuwe arme regio's financieel zullen moeten ondersteunen. (Een rijke regio als Groningen zou veel baat hebben bij een afscheiding omdat nu de vruchten van haar haar rijkdom-gas--vooral geplukt worden door de stedelingen in de randstad). In sociaal opzicht is de motivatie van rijke landen te prijzen, maar economisch valt er wel éen en ander op af te dingen, zoals Zalm van de VVD benadrukt.

Dat de socialist Jan Marijnisse tegen uitbreiding is, valt nu ook te begrijpen. Want een groot Europa ondermijnt de nationale democratieen, en verzwakt het eigen sociaal beleid. Klopt de redenering van Alesina evenwel, dan zal de uitbreiding van Europa eerder leiden tot een versterking van de regio's, decentralisatie dus, dan tot centralisatie van de macht. Een groter Europa wordt politiek onbeheersbaar en zal een nieuwe impuls geven aan kleine landen als de onze. Dat zou een mooie uitkomst zijn.