Klamer over liefde, en over morele boekhouding

Ik buig het hoofd voor die liefde

door Arjo Klamer
Trouw, 1 December 2007

Wederkerigheid is een begrip waar een econoom mee uit de voeten kan, ook als het om immateriële zaken gaat: jij doet iets voor een ander, de ander doet iets voor jou. Maar de observaties van Søren Kierkegaard over de ware liefde overstijgen deze vorm van morele boekhouderij op overrompelende wijze, zo ervaart econoom Arjo Klamer het althans. "Ik word daar stil van."

Als iets vertekenend is, dan is het wel het optellen en aftrekken van boekhouders. We krijgen er allemaal weer mee te maken als we onze belastingen opgeven, of jaarrekeningen opstellen. Inkomens, uitgaven, bezittingen en schulden: optrekken en aftrekken en u weet hoeveel u verdiend heeft en hoe rijk of arm u bent.

Al die cijfers ogen hard en de resultaten lijken onverbiddelijk. Maar hoe realistisch zijn die cijfers eigenlijk? Doen ze wel recht aan de wezenlijke dingen van het leven? Zegt mijn inkomen iets over de kwaliteit van mijn gezinsleven? Vertelt een balans iets over het inspirerend vermogen van een organisatie? En wat zegt het bruto nationaal product van Nederland over de kracht van haar samenleving? Hebt u uw geluk wel eens becijferd?

Dit zijn wellicht merkwaardige vragen voor een econoom. Wij economen worden geacht ons bezig te houden met het profane, met alles dat in geld uit te drukken valt. Het zou ons om de ruil gaan, om het dit voor dat, het quid pro quo. De wereld van de economie is de harde wereld, met al het zachte als het gevoel, schoonheid, de liefde en het heilige ver af. Dat geldt ook voor zaken als een liefdevol gezinsleven, een inspirerende organisatie, en een sterke samenleving. Dus als een econoom het opnieuw vertaalde en zojuist uitgebrachte boek van Søren Kierkegaard 'Wat de liefde doet' ter hand neemt, kun je niet verwachten dat hij er veel mee kan. Als econoom tenminste.

* * * *

Als zoon van een dominee ligt dat weer anders. Boeken van de Deense filosoof lagen geregeld op de boekentafel beneden. Kierkegaard werd de filosoof die mij confronteerde met de waarde van waarachtigheid. Wilde ik weten hoe huichelachtig, weifelend en angstig mijn eigen leven was, dan las ik zijn bezeten worsteling met de existentiële vragen, het consequent doordenken van die vragen en, naar het leek, het consequent leven naar de eigen overtuiging.

Dat hij wilde breken met de enige grote liefde in zijn leven, de liefde voor een vrouw, vanwege zijn worsteling met de ware liefde, die naar zijn overtuiging die liefde oversteeg, intrigeerde mij mateloos. Hoe kon hij, vroeg ik me vertwijfeld af tijdens mijn zoektocht naar juist die wereldse liefde?

Hoe ver hij gaat in het denken over de liefde, blijkt nu weer uit dit boek. Zijn begrip van de liefde is zo totaal, dat ik me er klein bij ga voelen. Maar dat heeft helemaal niks te maken met economie. Zou je denken.

Want dan komt het. Het is de taal van Kierkegaard die mij op het economische hoofd doet krabben. In hoofdstuk 5 van 'Wat de liefde doet' verwijst hij naar Romeinen 13,8: 'Wees niemand iets verschuldigd dan elkaar lief te hebben'. Liefde, zo citeert hij een oude wijsheid, is 'een zoon van rijkdom en armoede'. Niemand is zo arm als iemand die zonder liefde is. En dan komt zijn centrale stelling: Liefde creëert een schuld, een oneindige schuld. Rijkdom, armoede, schuld: dat is economentaal.

Lees ik met dat besef verder, dan merk ik op hoeveel Kierkegaard in termen van geld denkt. Neem deze dagdoeknotitie: "Ik werd geboren in 1813, in dat corrupte geldjaar toen er zo menig ander slecht bankbiljet in circulatie ging. Met dat soort geld kan mijn leven het best vergeleken worden. Er stak iets groots in mij, maar het had door de conjunctuur geen waarde." Zoiets zou mijn vader nimmer hebben kunnen zeggen, wars als hij was van alles dat met geld te maken had. Uitzonderlijk is die fascinatie met het profane evenwel niet in de wereld van het sacrale, zo blijkt als je doorleest. Neem de Bijbel. In die sacrale tekst kan een econoom zijn hart ophalen. Soms lijkt het alsof boekhouders aan het woord zijn, al gaat het nu om een morele boekhouding. Dat betekent dat de winst in andere vormen komt, bijvoorbeeld in de vorm van genade en zegen. Zonden komen aan de verlieskant. Heb ik iemand iets aangedaan dan heb ik een schuld aan die persoon, en sta ik in de min. De persoon kan vergelding zoeken; dat kan in de vorm van geld maar dat hoeft niet. Ook de God van het Oude Testament zoekt vergelding. Wij betalen nu nog steeds voor de schuld waarmee Adam en Eva het paradijs verlieten.

Moreel handelen, zo blijkt, is niets anders dan een vorm van morele boekhouding. Het is een zaak van optellen en aftrekken dus. Het is niet zo moeilijk om dat inzicht te herkennen in de dagelijkse praktijk. Als iemand mij helpt, mag die persoon iets van mij terug verwachten. Dat heet wederkerigheid, en doet denken aan de ruil waar economen zoveel aandacht voor hebben. Alleen zijn deze interacties wat ingewikkelder omdat een eenduidig ruilmiddel als geld ontbreekt. Iemand kan mij een enorme gunst doen met een lift, oprechte aandacht, of een lucratieve connectie, maar wanneer en hoe ik terug betaal is problematisch. Geld geven bij wijze van tegengebaar werkt meestal niet. Het kan zelfs beledigend zijn, waardoor mijn schuld aan die ander eerder oploopt dan afneemt. Het werkt meestal beter de ander een wederdienst te bewijzen, zoals het helpen met het schrijven van een brief, het kind van mijn begunstiger een baan te bezorgen (de wederdienst kan dus ook aan een ander persoon gegeven worden), of met een welgemeend dank je. Dat laatste gebaar is opmerkelijk. Je krijgt iets groots, iets duurs misschien, en het enige wat je terug hoeft te geven is: 'dankjewel'. Die woorden tel je als een aflossing van de schuld.

Het relateren is eigenlijk niets anders dan het evenwicht zoeken tussen winst en verlies, schuld hebben en verschuldigd zijn. Alleen, en dit is het cruciale verschil met de harde economische ruil, je rekent niet met klinkende munt, maar met ongrijpbare grootheden als woorden en gebaren. Mijn vrouw en ik geven bakken geld uit en besteden eindeloos veel tijd (vooral zij) aan de opvoeding van onze kinderen en zijn blij als ze ons in de ogen blijven kijken, zo nu en dan helpen met de afwas, en hopen dat ze later zo nu en dan gezellig op bezoek komen. Mijn verwachting dat ze in ruil voor al onze zorgen, ook voor ons zouden gaan zorgen, wordt weggehoond; als onredelijk en veeleisend. Kinderen die nu voor ouders zorgen voelen zich gauw belast, de eerdere zorg die ze ontvangen hebben ten spijt. Dat was ooit wel anders; het evenwicht is blijkbaar verschoven in hun richting. Hoe dan ook, relateren is een kwestie van geven en nemen. De kunst is te weten wanneer het geven en nemen in balans is.

* * * *

Die kunst geldt overigens ook in groter verband. De Duitsers, veel meer dan de Japanners, ervaren de Tweede Wereldoorlog als een grote schuld die nog steeds niet afgelost is. Na de Eerste Wereldoorlog wilden de Fransen retributie in de vorm van geld, steenkolen en staalfabrieken. De boekhouders berekenden hoeveel van dat alles nodig was om het verlies van Franse levens en economisch kapitaal te compenseren. Deze afrekening ervoeren de Duitsers als onrechtvaardig en zij zochten daarom vergelding, met de welbekende tragiek van de Tweede Wereldoorlog als gevolg. Na die oorlog bedachten de Amerikanen dat ze er beter aan deden om de schuldenaars te helpen in plaats van te straffen, met als gevolg een groot Duitse schuldgevoel. Daarom waren de Duitsers onder meer bereid hun Duitse mark op te offeren. En nog is het niet genoeg. De schuld lijkt eindeloos.

En daarmee kom ik op de intrigerendste observatie die Kierkegaard maakt over de liefde. Zoals ik hem al citeerde, creëert de liefde volgens hem een oneindige schuld. Ja, bij degene die lief heeft. Dat kan niet kloppen, dacht ik eerst en met mij iedereen die ik dit voorlegde. Hij die lief heeft, geeft zijn liefde aan anderen. Door die liefde te ontvangen zijn de anderen aan hem iets verschuldigd. Want zo reken je toch? Nee dus, volgens Kierkegaard is het juist andersom.

Nu schrijft hij op een wat moeilijk te volgen manier, maar na een paar keer lezen begreep ik wat hij bedoelde. Liefde die een schuld geeft, kan geen ware liefde zijn. Die liefde is niet terug te betalen. Iemand die liefde geeft, wordt daar niet minder van, en hoeft daarom niets terug te krijgen. Sterker nog, volgens Kierkegaard wordt door het geven van liefde zijn schuld alleen maar groter, om oneindig groot te worden.

Hoe dat kan? Welnu, zo maakt deze grote denker duidelijk, liefde is een gift, een gift van God, zou hij zeggen. Wie de liefde heeft, is onmetelijk rijk en staat daarmee in een oneindige schuld bij God. Hij hoeft dan ook niets in ruil voor zijn liefde, want in die liefde is hij vol dank aan zijn God.

* * * *

Ik word daar stil van. Als mens lijkt die liefde mens-onmogelijk - ik ken geen mens die in die liefde leeft - en de boekhouder in mij kan hier geen kaas van eten. Hoe berekenend we ook mogen zijn in de wederkerigheid van het dagelijkse morele leven, uiteindelijk is het waarachtige handelen onberekenbaar. Ik buig nederig het hoofd voor die liefde die Kierkegaard hier zo beeldend duidt.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit en heeft geprobeerd het onberekenbare van de economie te benoemen in zijn boek 'In Hemelsnaam' (Ten Have, 2006). Bovenstaande tekst sprak hij uit bij de presentatie van de nieuwe vertaling van Søren Kierkegaards boek 'Wat de Liefde Doet', vertaald door Lineke Buijs en Andries Visser, uitgeverij Damon.