De economische onzin van de Europese uitbreiding

by Arjo Klamer
GPD bladen, 1 October 2002
cat: Europe; columns


Nieuw Europa?

Europa moet groter. Althans dat lijkt de overheersende opvatting ondanks de bedenkingen in ons land. Maar moet het wel groter?
De uitbreiding lijkt nu vooral emotionele en politieke beweegredenen te hebben. “We zijn het aan de Oost-Europese landen verschuldigd” is het meest gehoorde argument. Het is een kwestie van solidariteit. Ook wordt beweerd dat de uitbreiding de politieke en economische stabiliteit van Europa dient. Zou het? Dat van die solidariteit klinkt goed, maar kan de Europese unie die aan? Het is als met onze houding ten opzichte van immigranten. Eerst overheersten de gevoelens van solidariteit en nu realiseren we dat je ook te solidair kan zijn.

Maar de uitbreiding is vooral problematisch vanuit het gezichtspunt van de economische theorie. Een collega, Alberto Alesina, laat zien dat wanneer de vrijheid van handelen toeneemt, het aantal landen ook groter wordt. Wordt het handelsklimaat geplaagd door steeds meer protectionisme, dan zie je het aantal landen afnemen. Sinds de wereldoorlog is het handelsklimaat opener geworden dankzij de verschillende rondes van de GATT (general agreement on tariffs and trade) en wat zien we? Het aantal landen is toegenomen van 76 in 1946 tot 192 nu. Onlangs is Oost-Timor er nog bij gekomen.

De economische reden ligt voor de hand. Produceert u bollen, schoenen, of wat ook, en kunt u uw producten niet in het buitenland afzetten vanwege allerlei handelsbelemmeringen dan bent u aangewezen op de thuismarkt. Die wilt u het liefst zo groot mogelijk hebben en dus bent u voor economische en politieke integratie met andere landen. Want dat maakt die thuismarkt voor u groter. Met het wegvallen van handelsbelemmeringen, vervalt ook de behoefte aan een grote thuismarkt, want in dat geval kan u met het grootste gemak de gehele wereldmarkt bestrijken. Het argument dat de uitbreiding van de Europese unie zo goed is omdat daardoor de thuismarkt met 70 miljoen consumenten zal toenemen, klopt dus niet in de huidige omstandigheden. Voorzover handelsbelemmeringen in de weg staan, is de wereldhandelsorganisatie het geeigende orgaan om die weg te nemen.

Dat de eurocraten desalniettemin hun heil zoeken in een grote “Europese Unie” geeft aan dat ze een andere gedachtegang volgen. In plaats van een liberale visie met de vrije wereldmarkt als belangrijkste missie, koesteren zij naast een sociaal model vooral ook een management model. Het sociale model hanteren zij om ons burgers mee te krijgen. Dan gaat het erom dat we een grote politieke unie nodig hebben uit oogpunt van solidariteit. Dat dat de rijke lidstaten geld gaat kosten, zij zo. (En dat de VVD onder Zalm daar bezwaren tegen heeft, tekent het a-sociale karakter van die partij.)

Belangrijker is het management model. Eurocraten willen de uitbreiding vooral omdat dan van alles en nog wat geregeld en gecontroleerd kan worden in de nieuwe lidstaten. Neem het voedsel. Willen de Polen hun vlees aan ons verkopen, dan moeten we er zeker van zijn dat dat vlees aan onze hoge standaarden voldoet. Dus moeten de Polen zich onderwerpen aan de Europese regels en instituten. Willen de Tsjechen hier werken, dan willen wij er zeker van zijn dat hun onderwijsqualificaties kloppen met de onze. De eurocraten willen dat allemaal dus goed geregeld hebben, Daarmee geven ze aan weinig fiducie in de vrije markt te hebben. Want in een vrije markt besluiten de consument zelf wel welk voedsel ze tot zich nemen. Is het voedsel uit een bepaald land verdacht, dan laten ze dat links liggen. In een vrije markt hebben de Polen er dus zelf belang bij aan de hoge Europese normen te beantwoorden. Daar is geen politieke integratie voor nodig. En wij hoeven toch ook niet eerst politiek te integreren met de Filippijnen alvorens Nederlandse ziekenhuizen Filippijnse verpleegsters in dienst nemen?

Het probleem met het managementmodel is dat het grote Europa zeer waarschijnlijk niet te managen is. Net als bedrijven en scholen te groot kunnen zijn, kan ook een politieke unie te groot zijn. Dan wordt de besluitvorming moeizaam en omslachtig, ontstaat een groot democratisch tekort (de burger verliest het contact), en volgt de ene crisis na de andere (zoals nu weer met het stabiliteitpact). Zoals het onderzoek van Alesina laat zien, zijn in een vrije wereldmarkt kleinere politieke eenheden effectiever dan kleine. Ze kunnen sneller reageren op nieuwe ontwikkelingen, zijn politiek homogener waardoor ze minder last hebben van slepende interne conflicten, hebben in het algemeen een gunstiger economisch klimaat dan de grote jongens. Kortom, economisch gesproken is de formatie van de een grote Europese Unie niet van deze tijd.