Europa...hoe lang nog?

Europa...hoe lang nog?

by Arjo Klamer
Plus magazine, May 2004, jg. 15, nr. 5, pp. 30-34.
cat: Europe

De t.v ploeg was gekomen voor het verhaal van de bejaarde schrijfster. Ze nam de drie kerels mee het grindpad op, de tuin in en een veld op dat omringd was door bomen. Toen ze een eindje hadden gelopen, gebaarde ze hen te stoppen en stil te zijn. Het was doodstil. Alleen de wind ruiste door de bomen. Na een tijdje zei ze: "Hoor je het goed? Hier gaat het om."

"Wanneer we de komende tien jaren er niet in slagen Europa een ziel te geven, een spirituele dimensie en een waarachtige betekenis, dan is alle moeite voor niets geweest. Dat is wat ik heb geleerd. Europa kan niet bestaan bij de gratie van louter juridische argumenten en economische kennis. De potentie van het verdrag van Maastricht zal niet gerealiseerd worden zonder enige vorm van inspiratie." --Jacques Delors, de voormalige voorzitter van de Europese commissie in mei 1994

Gelooft u nog echt dat het grote Europa een droom is die werkelijkheid wordt? Dat de uitbreiding met nog eens tien Oost-Europese landen het nog mooier gaan maken? Of is het een nachtmerrie in wording?

Een zestal jaar geleden hadden Nederlanders overwegend een goed gevoel over de Europese integratie. Sinds de euro een feit is, stijgt het aantal mensen met een slecht gevoel rap. Nederlanders die een paar geleden nog bekend stonden als euro-enthousiasten worden steeds sceptischer ten aanzien van dat grote Europa. Alleen het politieke establishment in dit land blijft stevig voor de Europese integratie staan. "De Europese trein moet voort" is een standaard uitspraak. "De invoering van de euro was onvermijdelijk en is onomkeerbaar" of "Europa is goed voor de Nederlandse economie." Met andere woorden, waar zeuren de sceptici over? Alsof een slecht gevoel zou getuigen van een ongepaste nostalgie naar voorbije tijden of, erger nog, van nationalistische en dus xenofobe sentimenten.

Ik wil u graag laten zien dat een slecht gevoel over Europa allerminst slecht hoeft te zijn; het hoeft ook niet te getuigen van een conservatieve, nostalgische, pessimistische of nationalistische instelling. Om dit duidelijk te maken moet ik beginnen te vertellen waar dat goede gevoel op gebaseerd is.

Goede gevoelens over Europa

De oorsprong van het goede gevoel over Europa is het ideaal waar het proces van de Europese integratie mee begon. Nooit meer oorlog was het devies. En zie, sinds de Europese landen innig zijn gaan samenwerken is het niet meer tot een gewapend conflict gekomen. Vooral voor degenen die de grote oorlog hebben meegemaakt, blijft de vrede een belangrijke emotionele reden om vast te houden aan het goede gevoel over Europa. Goed voelt ook de gedachte van samenwerking. Het is positief dat landen met elkaar samenwerken, dus moet de Europese samenwerking wel een goede zaak zijn. En dan zijn er de economische argumenten. Je hoort het vaak, een uitgebreid Europa is goed voor een grote thuismarkt. Met de Oost-Europeanen erbij wordt die markt alleen maar groter, groter zelfs dan de markt in de VS.

Recentelijk hoor je ook steeds vaker het argument dat Europa een sterk geheel moet vormen om tegenwicht te bieden tegen de VS. Europa zou een missie moeten hebben in de wereld, als wereldmacht. Dat geeft een machtig gevoel.

Slechte gevoelens over Europa

Dat machtige van de Europese Unie kan ook het tegengestelde gevoel opwekken, een slecht gevoel dus. Als Nederlandse burger krijg je het idee dat 'Europa' de gewone burger boven het hoofd groeit. De macht van de Nederlanders in Europa wordt steeds kleiner. Het Europese parlement wordt straks uitgebreid met 106 leden om uit te komen op 732 leden in totaal maar het aantal Nederlanders dat mee mag doen neemt af van 31 tot 27. Duisenberg staat niet meer aan het roer van de Europese Centrale Bank, Nederlanders die hoog in het ambtenaren echelon van de EU opereerden zijn er niet meer. In tegenstelling tot de voormalige premier Kok heeft Premier Balkenende niet de statuur van een Europese staatsman. Dit betekent dat in Brussel en Frankfurt van alles en nog wat wordt besloten zonder dat de Nederlanders daar iets over te zeggen hebben. Slecht voelt Europa ook omdat het zo ver van ons bed staat, en zo saai en ondoorgrondelijk overkomt. Discussies over Europa verzanden gauw in technische kwesties. Veel mensen haken daardoor af. De media weten er ook maar niet een goed verhaal van te maken. De europolitici zijn vertwijfeld. Zij weten beter nog dan u en ik dat Europa steeds belangrijker wordt, dat hun beslissingen steeds verder ingrijpen in ons leven. Maar helaas, Europa laat de burgers koud.

Tot dusver heb ik vooral gevoelens benoemd. Er zijn ook politieke, culturele en economische argumenten die een slecht gevoel over het grote Europa van een fundament voorzien. U zult zien dat het politieke huis dat men aan het bouwen is, in economisch opzicht onnodig en zelfs contraproductief is, politiek onmogelijk is en uiteindelijk dat waar het allemaal om begonnen was, de vrede, in gevaar brengt.

Serieuze twijfels over de Europese integratie

Ons economisch instinct vertelt ons dat het verdwijnen van grenzen goed moet zijn voor de economie. Laten we wel wezen. De Europese integratie heeft veel goeds gebracht, zoals het verdwijnen van de douane aan de onderlinge grenzen, standaardisering van allerlei producten, en gemeenschappelijke afspraken op tal van gebieden. De Europese integratie heeft ongetwijfeld de armere landen in de EU goed gedaan, en dan vooral Spanje, Ierland, Portugal en Griekenland. Maar het wachten is nog steeds op de fantastische groeiscenario's die steeds weer beloofd worden, zoals bij de introductie van de euro. Na een korte opleving is het sinds die introductie echter alleen maar bergafwaarts gegaan terwijl de economieën van landen die niet meedoen het relatief goed doen.

Een slecht gevoel geven de politieke, sociale en culturele tekortkomingen van de EU. Iedereen erkent ondertussen het democratisch tekort van de Europese Unie. De opkomst bij de laatste verkiezing voor het europarlement lag beneden de 30 percent, en de belangstelling van de kiezers en daarmee van de media voor wat het Europarlement doet is minimaal. Niemand heeft daar een antwoord op. Ook op het sociale vlak schiet de Europese Unie tekort. Ooit liepen Europeanen voorop met hun sterke sociale welvaartstaten, maar inmiddels concurreren de lidstaten om wie het meest bezuinigt op de sociale voorzieningen. Want wie het meest bezuinigt, kan de belasting het meest verlagen en daarmee een betere concurrentiepositie voor het eigen bedrijfsleven verschaffen. Overal in Europa holt de macht van de publieke sector achteruit en nemen de sociale voorzieningen af. Conservatieven kunnen dat mooi vinden, maar de meeste Europeanen hebben grote moeite met de afkalving van hun welvaartstaat. In dit Europa heerst de wet de markt en leggen sociale aspiraties het loodje.

Vraagtekens zijn ook te zetten bij de politieke slagvaardigheid van dit Europa. Zolang haar bureaucraten vrijuit kunnen werken, krijgt de Europese Commissie veel gedaan maar zodra de Europese bestuurders onder het toeziend oog van het publiek moeten opereren, verliest de Europese trein vaart. Dat is het afgelopen jaar duidelijk geworden: onder druk van het nationale belang van Duitsland begeeft het stabiliteitspact het en lopen de onderhandelingen over een Europese grondwet stuk. De politieke constructie van de EU oogt instabiel. Er zijn gewoonweg teveel kapiteins op het schip. Met de toevoeging van nog eens tien kapiteins in mei 2004 zal het steeds moeilijker zijn om gezamenlijk koers te houden vooral wanneer de nieuwe kapiteins het Europese spel niet mee willen spelen.

Het is naïef om te denken dat dit eeuwig en altijd maar door zou kunnen gaan. Daarom willen de europositieven een sterker Europa met meer macht voor Brussel. Ze willen een Europese begroting, een nationale begroting die net zoals een gemeentelijke begroting nu, verplicht sluitend moet zijn (de Fransen en Duitsers zouden dan flink moeten inbinden), een eendrachtig buitenlands beleid en een Europees leger. Het wachten is vervolgens op een gezamenlijk drugsbeleid (met het argument dat het Nederlandse gedoogbeleid de rest van Europa overlast bezorgt), een gezamenlijk onderwijsbeleid (om ervoor te zorgen dat diploma's overal dezelfde waarde hebben), één tarief voor de vennootschapsbelasting, en geen subsidies meer voor de kunsten, onderwijs, en sportclubs (om oneerlijke concurrentie te niet te doen).

Van de bezieling waar Delors (zie het citaat aan het begin)over sprak is weinig meer te merken. Van inspiratie ook niet. De trein moet voort. Die euro was onvermijdelijk en dat gemeenschappelijk buitenlands beleid is dat straks ook. Europa moet, of u het wilt of niet. Het moet economisch en het moet politiek. De uitbreiding met Oost-Europese landen was niet te vermijden. Daarom moeten straks ook landen als Turkije en Roemenie erbij. Dat onze democratie en de sociale welvaartstaat erbij inschieten, moeten we maar op de koop toenemen.

Groter is niet perse beter

Europa moet omdat het groter moet. Dat is de onderliggende gedachte van de Europese integratie. Maar is groter wel beter?

Wat pleit voor grotere landen zijn factoren als de verlaging van de kosten van publieke goederen per hoofd van de bevolking (defensie, justitie, monetaire systeem etc.), de veiligheid, meer stabiliteit (een recessie in een regio kan opgevangen worden door een financiële overdracht vanuit de rijkere regio's), en de schaal van de markt. Tel je al deze factoren bij elkaar op dat zou je verwachten dat landen alleen maar groter zouden worden. Maar dat is niet zo. Sinds 1946 worden landen juist steeds kleiner. Het aantal landen is bijna verdrievoudigd, van 76 in 1946 tot 192 nu. En kijk eens naar de grootste landen van de wereld: China, India, Indonesië, de VS en Brazilië. Slechts één daarvan heeft een sterke economie. Onder de tien rijkste landen is maar één groot land, de VS; de anderen hebben 7 miljoen inwoners of minder. Groot gaat blijkbaar niet persé samen met economisch sterk.

Dankzij de Wereld Handels Organisatie worden markten overal toegankelijker. De noodzaak voor een grote thuismarkt verdwijnt daarmee. Liberalisering vergroot het economisch bestaansrecht van kleinere landen. Denk maar aan de economieën als de Noorse en de Zwitserse. Ook de Nederlandse economie deed het uitstekend toen de euro er nog niet was. Heeft u de bloemen sector ooit horen klagen over een beperkte thuismarkt? Natuurlijk niet want Nederlandse bloemen gaan de hele wereld over. Een handelsland als Nederland wordt eerder belemmerd dan gestimuleerd door een innige politieke samenwerking met landen waar druk mee gehandeld wordt. Een handelsland wil onafhankelijk blijven om snel en slagvaardig te kunnen handelen.

Het grote voordeel dat kleine landen hebben, is hun homogeniteit. Hoe minder de waarden van de burgers in een land uiteenlopen, hoe gemakkelijker het wordt het publieke belang te definiëren en te realiseren. Korte lijnen, herkenbare leiders, en goed ontwikkeld sociaal kapitaal zijn niet alleen bevorderlijk voor een solide politieke constellatie van een land, maar hebben ook positieve economische effecten. Innovatieve bedrijven doen het vaak goed in kleine landen. Denk maar aan Philips in Nederland en Nokia in het nog kleinere Finland. (En weer is de VS de uitzondering die de regel moet bevestigen.)

Kleinere landen hebben het voordeel dat ze meer aandacht kunnen besteden aan zaken als de sociale en culturele kwaliteiten van hun samenleving. De grote Griekse filosofen Plato en Aristoteles pleitten daarom voor een samenleving op menselijke maat. De Europese Unie is dat zeker niet.

Dat de socialist Jan Marijnisse tegen de uitbreiding is, valt nu wel te begrijpen. Een groot Europa ondermijnt de nationale democratieën, en verzwakt het eigen sociaal beleid. Minder goed te begrijpen is dat sociaal-democraten zo enthousiast blijven over een groot Europa, want wat maakt de Europese Unie nu waar van de sociale en democratische waarden waar zij voor staan? En vanwaar het enthousiasme van de Christen-democraten? Zijn zij dan niet degenen die zich sterk maken voor de soevereiniteit in eigen kring? Waarom willen ze het dan zo groot?

Een pleidooi voor kleine politieke eenheden is niet alleen progressief vanwege de nadruk op democratische en sociale waarden, ze is ook internationalistisch. Terwijl het grote Europa noodzakelijk intern gericht zal zijn, moet een klein land wel open zijn en open staan voor internationale samenwerking in internationale organisaties.

Wat nu?

Het optimisme ten aanzien van kleine landen heeft het tij niet mee in het huidige Europa. De verwachting is evenwel dat dat tij zal keren. Het politieke huis van Europa is labiel en wordt alleen maar labieler met de toevoeging van de 10 Oost-Europese landen. Historische en culturele verschillen zullen zich laten gelden, net zoals ze dat deden in Joegoslavië en de Sovjet-Unie. De euro zal een grote lastpost worden wanneer de economieën van de verschillende regio's uit elkaar gaan groeien. Nederlanders gaan zich tegen de Europese integratie keren wanneer ze zich beginnen te realiseren dat zij moeten mee betalen aan de pensioenen van de Italianen en de Fransen. Spanningen zullen hoog oplopen over buitenlandse en morele kwesties. De Europese Unie zoals die er nu voorstaat, is onhoudbaar. Het grote gevaar is dat het uiteenvallen daarvan met grote conflicten gepaard gaat, en dat wilden we juist hoe dan ook vermijden.

Daarom is het beter wanneer de Europese landen als vrienden met elkaar omgaan in plaats van dat ze gaan trouwen, zoals dat nu de opzet is. Gepaste afstand is het devies. Daarom zou het Europese parlement en de Europese commissie eerder minder dan meer macht moeten hebben. Europa is niet geschikt als groot machtsblok. Misschien is dat jammer, maar misschien juist ook weer niet. Ik maak liever deel uit van een kleine, democratisch vitale, sociaal sterke en open samenleving. En u?