Crisis: beschaving is een voortgaand project

by Arjo Klamer

Waterlandstichting, mei 2009

Een crisis stemming suggereert dat het voor de crisis goed ging en nu niet meer. Het woord crisis stemt somber, alsof er iets verloren gaat. Deze zogenaamde crisis verleidt mensen te denken over een grote neergang, het einde van een periode van voorspoed, en zelfs het einde van de beschaving. Maar is het ook denkbaar dat we de afgelopen decennia al een neergang van de beschaving hebben meegemaakt. In dat geval biedt de crisis juist een kans op een herstel van de beschaving.

Kijken we wat oppervlakkig naar de economie dan leek het tot en met de zomer van 2008 voorspoedig te gaan. De westerse economieën bleven keurig groeien en de welvaart bleef toenemen. De enige zorgen waren het milieu en de snel groeiende economieën van landen als China, India en Brazilië. De laatste zorg had dan weer te maken met de zorg over de voorraad natuurlijke hulpbronnen. Prijzen van voedsel en olie begonnen gestaag te stijgen. Er was wat gerommel in de financiële markten maar afgezien van een enkele onruststoker, maakten economen zich daar niet druk over. Het vertrouwen in het zelfregulerende vermogen van markten was groot. Ook de ambtenaren zworen erbij.

In de afgelopen acht maanden is de stemming volledig omgeslagen. Het vertrouwen in de marktbenadering is misschien niet geheel weg, maar het heeft wel een flinke knauw gekregen. In reactie op falende banken, bouwers en autoproducenten, hebben de ambtenaren het Keynesiaanse instrumentarium weer van zolder gehaald. Overheden over de gehele wereld pompen grote hoeveelheid geld in de economie en zijn zelfs zover gegaan dat ze banken hebben genationaliseerd en andere grote bedrijven hebben gesteund. Dat alles zou een jaar geleden nog een gotspe zijn geweest.

Hoe dan ook, de indruk wordt gewekt dat de financiële crisis met de economische recessie die daarop volgde het probleem zijn. Maar dat kan alleen de conclusie zijn wanneer we oppervlakkig naar de economie kijken. Kijken we wat dieper, en wat verder terug, dan zien we dat de beschaving al enige tijd onder druk stond.

De beschaving staat al langer onder druk

Een belangrijke ondermijning van de beschaving was, zo is nu wel duidelijk, de speculatieve hausse in de financiële wereld, het ongebreidelde kapitalisme met aandeelhouders die op korte termijn winst uitwaren en bankiers die zichzelf bergen geld toeeigenden. Het begon met het formuleren van ambities in de jaren zeventig. Het ging toen over de noodzaak van innovaties in de financiële wereld (ik studeerde in die tijd monetaire economie en herinner me financiële innovatie als een nieuw onderzoeksthema). In de jaren tachtig volgde een grote zuigwerking van de financiële wereld op de markt voor talentvolle studenten. Vooral zakenbankiers zogen met riante beloningen en carriére vooruitzichten 'the best and the brightest' naar binnen. (Ook dat zag ik gebeuren als docent economie in de VS.) Studenten begonnen over het grote geld te praten, een onderwerp dat in de jaren zeventig nog taboe was. Scholieren begonnen te kiezen voor bedrijfswetenschappen of iets anders dat commercieel goed klonk, zoals communicatiewetenschappen, fiscale economie of accounting, omdat daar het geld zat. In het bedrijfsleven werd de zucht naar geld verder aangewakkerd met het opkloppen van een prestatie cultuur en het resultaatgerichte werken. In de financiële wereld zorgde de zucht naar steeds meer geld voor risicovol gedrag. Dat ging goed zolang het goed bleef gaan. De politici hadden slechts toe te kijken want tegen de macht van de financiële wereld konden ze niet op. Niemand wist meer wat de risico's waren, en ook al waarschuwden toezichthouders voor de gevaren, Wellink incluis, de financiële wereld ging haar gang.

Een verdere bedreiging werd het absolute geloof in de vrije markt. Alles moest de markt op. Ook overheden begonnen dat te geloven. Vandaar het mantra van de marktwerking van de afgelopen decennia. De prikkels van de markt gingen boven alles. Daarom moest er naar prestatie beloond worden. Daarom begon men het normaal te vinden dat bankiers, vastgoed mensen, popsterren en voetballers exorbitante 'beloningen' inden. Alsof het presteren om het geld moest gaan. Alsof een tweedeling 'normaal' en wenselijk zou zijn.

In 2001 wilde het manifest "Stop de Uitverkoop van de Beschaving" van onder meer Wouter van Dieren, Jan Marijnissen, Mies Bouhuis, Dorien Pessers en ondergetekende, waarschuwen dat het geloof in de vrije markt een bedreiging was voor de beschaving, een beschaving die zich onder meer kenmerkt door een egalitaire grondhouding en een waardering van meelevendheid en zorgzaamheid. De oproep kwam niet aan. Waarom zou ze ook? Het geld rolde, er werd goed verdiend, dus dit was zeuren in de marge.

Wie zijn de schuldigen?

Inmiddels is wel duidelijk dat er iets aan de hand is. De verontwaardiging richt zich nu op de bankiers die zich verrijkt hebben en op de toezichthouders die gefaald hebben. Het is opvallend dat regeringen die over dat toezicht gingen, zoals de Nederlandse, aan de grote woede lijken te ontkomen. Ongetwijfeld heeft hun drastische koerswijziging daarmee te maken. Hoe dan ook, de woede is groot. Pensioenhouders zijn kwaad omdat zij moeten inleveren nadat bankiers hun geld hebben verkwanseld. Huizenbezitters zijn kwaad omdat ze hun huis niet meer kunnen verkopen. Jongeren zijn kwaad omdat dat grote geld plotseling ver weg is. Met al die kwaadheid spint een beweging als die van Wilders garen.

Een gevoel van schaamte?

Maar hoeveel schaamte gaat achter die verontwaardiging schuil? Is die woede niet ergens ook een teken van schaamte, schaamte vooral voor de mentaliteit van 'meer, meer, meer'? Want zijn de mensen die nu verontwaardigd zijn over het handelen van Rijkman Groenink en van der Hoeven, niet dezelfden die hen een paar jaar geleden nog verheerlijkten als helden? Keken zij niet bewonderend op naar de grote geldverdieners, en hebben zij zelf niet ook geprofiteerd van de hausse zonder al te veel zelfkritiek?

De schaamte, meer nog dan de verontwaardiging, geeft hoop op een herstel van de beschaving. De schaamte maakt duidelijk hoe verkeerd het ging, hoe verkeerd het was om het lot van de samenleving over te laten aan mensen die bezig zijn met macht, geld en status. Deze zogenaamde crisis werkt als een wake up call. Daar kan geen manifest tegenop.

Het besef is er nu dat ongebreideld kapitalisme een slecht idee is. Het is tijd voor een herwaardering van Keynes, de Britse econoom die ten tijde van de vorige grote financiële crisis in de jaren dertig al pleitte voor nationalisering van banken om speculatie tegen te gaan. Voor vrije markt economen kon de overheid niet klein genoeg zijn. Bos is nu de nieuwe Keynesiaan die weet dat de economie een stevige overheid nodig heeft.

Maar met die stevige overheid zijn we er niet. Net als de markt, opereert de overheid in de samenleving en is afhankelijk van wat mensen in die samenleving belangrijk vinden. Het gaat erom dat mensen met verantwoordelijke posities het besef herwinnen van het grotere belang dat ze dienen. Het zou moeten gaan over verantwoordelijkheid en dienstbaarheid. En over matigheid en rechtvaardigheid als deugden.

Een roep om temperantia

Temperantia, matigheid, is de klassieke deugd die cruciaal is om hebzucht, machtswellust en andere menselijke driften in toom te houden. Met al het gepraat over vrijheid, ambitie, passie, consumptie, en meer, meer en nog eens meer, raakte die deugd uit het zicht. Matigheid deed denken aan zuinigheid en kuisheid, aan een kruideniersmentaliteit ook. Matigheid was iets voor zielige mensen. Zij die mee wilden in de vaart der volkeren, gingen ervoor, voor het geld, voor het wapperen met geld. We moesten groot denken, want alleen in grote bedrijven zou het grote geld te vinden zijn.

De beschaving maakt een kans wanneer deze deugd in ere hersteld kan worden. Het moet weer over het woordje 'te' gaan. Wanneer geven we 'te' veel uit, wanneer is de zorginstelling, school of universiteit 'te' groot, wanneer is de bonus 'te' riant, wanneer verbruiken we 'te' veel energie, wanneer gaan we 'te' ver. Oftewel, wanneer doen we en hebben we genoeg.

Voor dit eerherstel is een gevoel van schaamte van belang, schaamte voor het teveel. Politici hebben te weinig en vooral zwakke middelen om dit eerherstel te bewerkstelligen. Een staatsman kan de burgers oproepen tot vertrouwen maar dat vertrouwen moet waargemaakt worden in het menselijke verkeer. Een deugd als matigheid gaat alleen werken wanneer mensen andere mensen daarop aanspreken.

Daarom is het belangrijk dat we de schaamte bij onszelf en de ander in de ogen kijken, en elkaar nu aanspreken op wat echt belangrijk is, waarom het gaat in het leven en in de samenleving. Als het niet gaat om veel geld te verdienen, waar gaat het dan wel om?

Ik vermoed dat we in de onderlinge gesprekken snel uitkomen op het belang van dat wij gemeenschappelijk hebben, op het gemeenschappelijke belang dus. De vraag die een ieder voor zichzelf zou kunnen stellen is: wat is mijn bijdrage aan welk gemeenschappelijk belang? Althans tot die conclusie kom ik meestal in gesprekken die ik aan de Academia Vitae (in Deventer) met professionals voer. Het is een teken van beschaving wanneer burgers handelen in de wetenschap dat ze een groter belang dienen, dat ze niet alleen voor zichzelf bezig zijn maar bij willen dragen aan een groter geheel.

Kortom, het goede van deze afstraffing is dat de helden van kort geleden, de grote geldverdieners, van hun voetstuk gevallen zijn. Hopelijk blijkt dit een tijd te zijn van een herstel van het besef dat het om iets anders moet gaan dan korte termijn gewin, en besluiten bijvoorbeeld jongelingen eens iets anders te studeren dan financiën en management. Wat te zeggen van een studie die doet reflecteren op onze beschaving?