Guldens en florijnen in plaats van de euro

Arjo Klamer
de Volkskrant, 22 December 2010
Original source »

De euro is gebouwd op drijfzand. Daar veranderen een steunfonds, harde afspraken over begrotingsdiscipline en sancties niets aan. Ook de euro-obligaties waarover nu wordt gesproken, zijn het panacee niet. De euro ontbeert een stevige politieke unie die staat voor haar stabiliteit en betrouwbaarheid. Daarom pleit Guy Verhofstadt, voormalig Belgisch premier en eurofiel, voor een economische regering, een stevige Europese begroting, en een Europese belasting.

Met een Europese Unie naar het model van Verhofstadt had de wereld weinig gemerkt van de Griekse en Ierse problemen. Net zo min als de wereld weinig merkt van de financiële problemen van Californië en van een paar voormalige Oost-Duitse deelstaten die er beroerder aan toe zijn dan Griekenland. U merkt dat niet, omdat Berlijn er vierkant voor gaat staan met zijn middelen en macht. Californië kan het redden, onder meer doordat het minder belasting afdraagt aan Washington dan normaal en meer inkomsten uit Washington ontvangt. Dat alles gaat min of meer automatisch.

Het eurogebied ontbeert dergelijke mechanismen. Verhofstadt wil dat Brussel net zo machtig wordt als Washington in de VS of Berlijn in Duitsland. Alleen dan zou de EU een kans hebben de interne onevenwichtigheden te corrigeren. Alleen dan heeft ze een kans de aankomende inflatie te beteugelen. (Want de Europese Centrale Bank is redelijk onmachtig als de prijzen de lucht in schieten; voor inflatiebestrijding is sociale cohesie nodig en daarvan is in dit Europa geen sprake.)

Maar de politieke unie van Verhofstadt is onhaalbaar. Zover willen Duitsland en Frankrijk nooit gaan. En daarmee blijft de euro een hopeloze constructie die gaande wordt gehouden door angst voor wat er gebeurt als de euro ophoudt te bestaan.

De vraag is ook of zo'n groot Europa wenselijk is. Wat willen wij allemaal opgeven om de munt te behouden? Hoeveel zelfstandigheid bijvoorbeeld? Wordt het niet eens tijd voor een fundamentele herbezinning op wat wenselijk is? Is het niet belangrijk dat we een idee hebben wat we willen wanneer de euro valt? Want dat die gaat vallen, is met deze constructie bijna een garantie. De vraag is alleen wanneer.

Wat de euro in leven houdt, is het dominante geloof in efficiëntie als sturende waarde voor beleid. We hebben de euro, omdat zo'n gemeenschappelijke munt zo efficiënt zou zijn, omdat het onderlinge economische verkeer erdoor bevorderd wordt, en daarmee het inkomen. Een grote globale financiële sector lijkt zo efficiënt; steeds maar groter wordende banken zijn dat ook. Europese landen redden nu hun banken, omdat falende banken vreselijk inefficiënt kunnen zijn.

Maar meer efficiëntie is niet altijd beter. De kerstmaaltijd kan altijd efficiënter - sneller, goedkoper, en met meer mensen - maar daarmee wordt ze niet per se leuker. Zo is het ook met de economie. Besparingen op de kunsten zijn efficiënt, omdat daarmee geld overblijft voor zaken die minder moeizaam tot stand komen. Maar daarmee wordt de samenleving er niet leuker op. De gigantische financiële sector met haar reuzenbanken gijzelt dankzij haar overmoed hele samenlevingen en is nu de oorzaak van een kaalslag in de sociale voorzieningen. Aandeelhouderskapitalisme zou zo efficiënt zijn, maar blijkt vooral veel op te leveren voor managers en hun adviseurs.

Het kan anders. Het kan bijvoorbeeld kleiner. Kleine samenlevingen doen het in het algemeen beter dan grote. Groot is misschien efficiënt, maar kan ook ten koste gaan van sociale en democratische kwaliteiten. Kleine samenlevingen als de Zwitserse en Noorse hebben weinig in te brengen op het wereldtoneel, maar zijn wel welvarend en gelukkig.

De vraag is welke ordening het meest bevorderlijk is voor de sociale en democratische kwaliteiten van een samenleving. Draagt een euro bij tot een sterkere democratie hier in Nederland en zorgt ze voor een sociaal krachtiger samenleving?

Ook de organisatie van de financiële sector kan en moet anders. Het is van groot belang dat banken zich bepalen tot hun rol van bemiddelaar tussen aanbieders van en vragers naar financiële middelen. Banken moeten hun dienstbare rol weer voorop stellen: ze moeten weer dienstbaar zijn aan de echte economie. Banken zouden zo klein moeten zijn dat ze kunnen vallen zonder een gehele economie mee te nemen.

Ook het muntstelsel kan anders. Bernard Lietaer, een Belgische collega, betoogt dat een stelsel met enkele grote munten instabiel is en dat het beter is veel verschillende munten te hebben. Misschien is zo'n stelsel in eerste instantie minder efficiënt, maar het doet meer recht aan de rol van geld als bindmiddel. Overal in de wereld zijn experimenten gaande met lokale munten die als doel hebben gebruikers bewuster te maken van de lokale circulatie van goederen en diensten.

Als de euro valt, kunnen we meerdere munten invoeren ter vervanging. We kunnen gezamenlijk met Duitsland een munt adopteren voor gebruik in grensoverschrijdend economisch verkeer en de gulden invoeren voor binnenlands verkeer. Daarnaast kunnen de Amsterdammers een Amsterdamse gulden invoeren voor Amsterdams gebruik en de Rotterdammers een Rotterdamse florijn. Zwitserse bedrijven hebben nu al een soort munt om onderlinge rekeningen te vereffenen. De digitale technologie maakt dit mogelijk.

We zouden een apparaatje hebben waarmee we in verschillende munten kunnen betalen en dat aangeeft wat de prijs is in de rekeneenheid waar we aan gewend zijn. Natuurlijk is regulering en toezicht nodig om te voorkomen dat te veel van een munt wordt gecreëerd. Een divers monetair stelsel met veel kleine muntunies voorkomt de financiële chaos van nu en draagt bij aan de sociale kwaliteit van een samenleving.

De nadruk op sociale kwaliteit doet denken aan het gedachtegoed van E.F. Schumacher, de Britse econoom, die hamerde op het belang van de juiste schaal van productie en distributie. In Nederland komen Bob Goudzwaard, Herman Wijffels en Klaas van Egmond in gedachten. Het gaat om de menselijke maat, om een economie die ten dienste staat van de kwaliteiten die we belangrijk achten, en niet een samenleving die alles doet ten dienste van de economie en haar efficiëntie.