Het wordt tijd voor een waardeneconomie

by Arjo Klamer

De Republikein, Redacti, 2 december 2011

Niet alleengeneraals vechten altijd de vorige oorlog, ook premiers en ministers trekken bij tegenslag de middelen uit de kast die bij de vorige crisis horen. Ook nu. Pas als het echt helemaal fout gaat komt er ruimte voor een werkelijk nieuwe kijk op de economie en de functie daarvan. Maar waarom zo lang wachten?

Wie durft nog te betwijfelen dat we op een diepe crisis afstevenen? De berichten uit de financiële wereld blijven slecht, wat politici ook proberen om het naderend noodlot af te wenden. Oplossingen waar zij mee aankomen, blijken keer op keer onvoldoende. In plaats van soelaas te brengen, lijken ze de problemen zelfs eerder te verergeren. Bijgevolg dreigt de torenhoge schuldenberg die we in dertig jaar volijverig hebben opgebouwd ineen te zakken met als grote gevaar dat de banken meegesleept worden in die val en dat de luchtbel in de Europese huizenmarkten uiteenspat. Daar voorbij loert een langdurige recessie.

Of dat duistere perspectief ook bewaarheid wordt, moet overigens nog maar blijken. Van een echte crisis is pas sprake wanneer we tegen een fundamentele fout in het systeem aanlopen. Er heerst dan grote verwarring, een algemeen gevoelen van niet-weten, van verlorenheid. In een echte crisis kloppen de gangbare verhalen niet meer, zoals het verhaal van overheden die de zaken in handen hebben, en dat over markten die efficiënt zijn en zich rap aanpassen in geval van onevenwichtigheden.

Maar zo ver zijn we nog niet. Politici grijpen in eerste instantie altijd naar de geijkte middelen. In dit geval betekent dat dat ze de overheidstekorten beheersbaar proberen te maken met het neoliberale middel van bezuinigingen. Op Europees niveau passen ze de bestuurlijke logica toe: die van het sturen door middel van regels, toezicht en dergelijke. Er moeten strengere regels komen en strenger toezicht. Banken moeten hun kapitaaldekking verhogen. Geijkt zijn ook de methodes van het IMF waarmee men de toestanden in Ierland, Portugal, Griekenland en nu ook Italië te lijf gaat. Ook het voorstel om een begrotingscommissaris met vergaande bevoegden aan te stellen, past in het gebruikelijke technocratische denken. Het enige element in het palet van bestrijdingsmiddelen dat wel iets ongebruikelijks heeft is het Europese noodfonds. Als het ervan komt zou ook de introductie van eurobonds een werkelijk nieuw element kunnen zijn.

Het is nog steeds mogelijk dat deze reeks van maatregelen gaat werken. In dat geval is de dreiging van een heuse crisis overgewaaid. Dan wordt het weer business as usual en blijft het systeem min of meer onaangetast. Van een echte crisis kunnen we pas spreken als blijkt dat deze aanpak niet gaat werken, bijvoorbeeld wanneer de eurozone uiteenvalt en de euro ophoudt te bestaan in haar huidige vorm. In het intellectuele vacuüm dat dan ontstaat, kan iets nieuws opborrelen, omdat dan de noodzaak blijkt om de wereld te herdenken. Dan wordt de urgentie begrepen van het ontwikkelen van een ander perspectief dat uitzicht geeft op een overzichtelijk nieuw verhaal met een ander handelsperspectief en een betere toekomst.

Grootschalig experiment

We hebben zoiets al eerder meegemaakt, in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Nadat in de nasleep van de beurskrach van 1929 het enthousiaste optimisme van de jaren twintig verdampt was en de reële economie in een neerwaartse spiraal geraakte, deden de regeringen in Amerika en Europa allereerst wat ze gewend waren te doen. In sommige gevallen bestond dat uit nietsdoen, bijvoorbeeld wanneer banken omvielen. Het idee dat een regering daartegen zou ingrijpen botste met de toen overheersende logica van de markt. Regeringen deden ook niets aan de werkloosheid, omdat ze niet het idee hadden dat ze daar iets aan konden doen. Wat ze wel deden, was de binnenlandse economie beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Dat was de oude methode van het mercantilisme. Economen hadden die economische filosofie weliswaar al als ondeugdelijk verworpen, maar in crisis tijd grijpen regeringsleiders nu eenmaal graag terug op vertrouwde middelen van vroeger. Het werkte allemaal niet, de verwarring was en bleef groot, de onvrede ook.

Ondertussen hadden de Sovjets in Rusland een grootschalig experiment opgezet dat draaide om centrale planning opgezet. In Duitsland kreeg het nationaal-socialisme de overhand, dat niet zover ging als de Russen, maar wel het vacuüm wist op te vullen door sterk dirigistisch beleid met grote infrastructurele projecten en de opbouw van een uitgebreid legerapparaat - de Duitse economie raakte er inderdaad mee uit het slop.

Zowel in het Russische als in het Duitse geval domineerde een bestuurlijke logica die was gebaseerd op geordende bureaucratische systemen en, zeker in het geval van de Sovjet Unie, wetenschappelijke analyse. Maar ook in het westen borrelde de bestuurlijke logica op als alternatief voor de min of meer spontane dynamiek van de samenleving die tot dan toe het economisch handelen bepaald had. In Amerika bracht John Maynard Keynes het denkbeeld in van een economie die duurzaam stagneert door een gebrek aan vraag. Hij opperde dat een actieve overheid dat gebrek kan compenseren om zo de economie weer aan de gang te krijgen. De Nederlandse econoom Jan Tinbergen kaderde die denkbeelden in binnen een instrumentalistisch raamwerk, compleet met een wiskundig model. Dat model, zo stelde hij voor, zou beleidsmakers de instrumenten in handen geven waarmee ze hun politieke doelen konden realiseren. Ook in het Westen ontstond zo een bestuurlijke logica op wetenschappelijke grondslag, die een cruciaal onderdeel werd van de zich in die tijd vormende sociaal democratische aanpak.

Instrumentalisme

Wat mensen dus in de jaren dertig van de vorige eeuw inspireerde, was de realisering van de mogelijkheden van de bestuurlijke logica. Dat was hun antwoord op de toenmalige crisis. Die logica inspireerde onder meer ouderdomsvoorzieningen, werkloosheidsuitkeringen, nationale energie-, post- en telefoniebedrijven, nationale gezondheidszorg en natuurlijk de regulering van alles en nog wat. Die instrumentalistische benadering gaf ook een allesoverheersende plaats aan de nationale jaarrekeningen - zonder cijfers zeggen de modellen immers weinig. Sinds die tijd denken we dus uiteindelijk de economische voortgang te kunnen meten en uitdrukken in een enkel cijfer: de groei van het Bruto Binnenlands Product. Dat is welbeschouwd ongelooflijk, vooral als we in beschouwing nemen hoezeer die uitkomst feitelijk het product is van allerhande tussenberekeningen vol onvolkomenheden, onzekerheden en veronderstellingen.

De bestuurlijke logica inspireerde ook de organisatie van het werk in de vorm van ondernemingen en vakbonden. Managers werden opgeleid om de bestuurlijke logica toe te passen in ondernemingen, accountants gingen aan het werk om ze in cijfers te vatten. Consultants deden hun intrede om de lessen van de wetenschap toe te passen. Zo ontstond het beeld van een maakbare samenleving, van economieën en bedrijven als machines die met allerlei instrumenten steeds verder geperfectioneerd konden worden.

Deze logica is met ons tot de dag van vandaag en beheerst de Europese Unie, waarvan de grondgedachte is dat een grootmacht geconstrueerd kan worden door consequente toepassing van principes van de bestuurlijke logica. Omdat ze marktwerking als een belangrijk instrument ziet, is het een neo-liberale logica.

Het is een logica die even aantrekkelijk blijkt als onverbiddelijk. Ze dwingt een bepaalde manier van denken af die ik niet alleen bespeur bij beleidsmakers, maar ook bij journalisten en publiek dat ik van het voorgaande bewust probeer te maken. Steevast volgt, als ik bijvoorbeeld aangeef dat we op een crisis afstevenen en dat dat misschien wel ergens goed voor is, de vraag 'Wat is de oplossing?' Waarmee men dan bedoelt: wat moeten 'zij', de politiek, doen om het probleem op te lossen. Want er moet toch iets zijn dat 'zij' kunnen doen. Daadkracht willen we zien van de heren en dames politici. Het is typisch het denken van de vorige crisis, het in de jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkelde denken in termen van maakbaarheid, of het nu om de samenleving gaat of om bedrijven. Het is maar helemaal de vraag of die manier van denken onder de tegenwoordige omstandigheden nog wel werkt. Is het geen tijd om, net als Keynes en Tinbergen dat destijds deden in hun antwoord op de crisis van hun tijd, een radicaal andere visie op de samenleving en de economie te formuleren,?

Economie van waarden

Zo midden in de turbulentie is moeilijk te bemerken welke stromingen voor de toekomst bepalend zullen zijn. Misschien zullen we later constateren dat nu een verval van de westerse beschaving ingezet is, dat nationalistische sentimenten de overhand kregen en de erfenis van de verlichting verkwanseld werd. Wie zal het zeggen? Daarom probeer ik te ontwaren wat inspirerende mogelijkheden zijn. Dat lijkt mij ook de taak van een wetenschapper, al zien veel van mijn collega's het anders.

Ik zie vooral veel mogelijkheden in het benadrukken van waarden. Daarmee bedoel ik de kwaliteiten die u en ik belangrijk vinden. Of in de woorden van Klaas van Egmond, de redenen dus waarom we hier op aarde zijn. Herman Wijffels spreekt van een menswaardige economie, die ik dus opvat als een economie van waarden is, van de dingen waar het mensen uiteindelijk om te doen is.

Binnen de kaders van de vigerende instrumentalistische manier van denken worden waarden gemakkelijk verward met middelen. Geld is een middel. Winst en economische groei zijn ook middelen om te realiseren dat wat belangrijk voor ons is. Gezondheid is dat trouwens ook: ik wil graag gezond zijn omdat ik dan mijn waarden kan realiseren. Voor een toneelgezelschap is publiek een middel. Zo'n gezelschap wil graag publiek, maar niet aleen maar om veel mensen binnen de deuren te hebben. Publiek stelt ze met zijn aanwezigheid in staat om datgene te realiseren waar het de leden van het gezelschap om te doen is.

Waarden die ertoe doen hebben voor zover ik kan overzien steeds een transcendentaal, sociaal, persoonlijk of gemeenschapskarakter. Transcendentale waarden zijn spiritueel, esthetisch, intellectueel en wellicht ook historisch van aard. Ook agape (al-liefde), verlichting en dergelijke behoren tot deze groep. Gemeenschapswaarden, daarentegen, hebben betrekking op de samenleving in het algemeen. Denk aan mensenrechten, solidariteit, nationale identiteit, patriottisme, duurzaamheid, democratie, vrijheid, gelijkheid en broederschap. Bij de sociale waarden, die de derde groep vormen, gaat het om relaties tussen mensen. Om gezelligheid bijvoorbeeld en collegialiteit. Maar ook om vriendschap en familiebanden. Met persoonlijke waarden, ten slotte, worden dingen als ontwikkeling, vakmanschap en bewustwording bedoeld.

Het is misschien even wennen aan het idee, maar het is heel goed mogelijk om te sturen op waarden. Sommige bedrijven doen dat tot op zekere hoogte al, en overheden zouden dat ook kunnen. Dan zou het niet meer gaan om de vraag hoeveel extra euro's we dankzij de euro verdiend hebben, maar om wat de invoering van de euro heeft bijgedragen aan de sociale en democratische kwaliteiten van de samenleving - en het antwoord zou moeten luiden: tot nu toe bedroevend weinig. We zouden ons dan ook niet langer blindstaren op het reilen en zeilen van financiële grootheden als het bruto binnenlands product, maar ons gaan bezighouden met waar het ons werkelijk om te doen is. Dingen als de beschaving, de kwaliteit van de samenleving.

Organisaties die op waarden sturen zullen winstcijfers minder belangrijk vinden. Ze zullen eerder maatschappelijke ondernemingen zijn, want hun mensen zullen willen weten of wat ze doen op een of andere manier bijdraagt aan de kwaliteit van de samenleving. Verschillende groepen belanghebbenden en betrokkenen zullen een prominente rol gaan spelen bij het toezicht. Accountants zullen hun controles drastisch moeten aanpassen, er zullen compleet andere methodieken nodig hebben om kwaliteiten te kunnen bepalen.

Stellen overheden, organisaties en ook individuen eenmaal waarden centraal in plaats van inkomsten, dan zullen ze zich gaan realiseren dat de gangbare logica van de markt niet meer voldoet, evenmin als die van het management of het bestuur. Dat is niets nieuws, het is een conclusie die al lang breed is uitgemeten in het denken over leiderschap. Bij leiders gaat het om waarden en het realiseren daarvan. Dan gaat het bijvoorbeeld om zelfkennis en om bewustwording van sociale en ook spirituele processen. Er bestaat geen instrumenteel toepasbare, wetenschappelijk gefundeerde methode voor.

Touwtjes

Voor het realiseren van waarden hebben we behoefte aan een andere logica, een sociale logica vooral. Het is de logica die in relaties werkt, en die gaat over hoe wij mensen relaties met elkaar aangaan en onderhouden. We doen dat in de sociale ruimte, buiten de logica van de markt en die van het bestuur om. We kopen geen relaties, we kunnen ze ook niet verkopen. Vriendschappen zijn niet gebaseerd op contracten of regels. Juristen kunnen ook niet vaststellen hoe collegialiteit werkt. Economen kunnen dat overigens ook niet, althans niet met hun vraag-en-aanbodmechanisme.

Mensen die op een instrumentalistische manier denken, worden nerveus wanneer ze aan de sociale processen denken. Want wie trekt er aan de touwtjes? Wie regelt al dat sociale gebeuren en hoe zorgen 'we' dat alles goed loopt? Het antwoord daarop luidt natuurlijk: niemand. Niemand is de baas, niemand in het bijzonder regelt het sociale gebeuren. Relaties ontstaan. Mensen komen bij elkaar en doen dingen. Ze vormen vriendschappen, worden verliefd, bespreken de wereld, bedenken ideeën, besluiten iets als Facebook op te zetten. Dat alles gebeurt zonder centrale regie of aansturing.

Bij al die onzekerheden en onwennigheden is een ding wel duidelijk: in een sterke samenleving is een grotere sociale dynamiek, gebeurt meer dan in een zwakke samenleving. Een sterke samenleving heeft een sterke cultuur, die staat voor bewust beleefde, gedeelde waarden. Ook markten werken in een sterke samenleving beter dan in een zwakkere, net als overheden. Dat heeft te maken met het vertrouwen dat een sterke samenleving genereert.

Daarom zou ik willen voorstellen dat we meer gaan denken in termen van de kwaliteiten van een samenleving. Net als Phillip Blond, die nu de Britse premier adviseert over zijn concept van The Big Society, zetten we Thatcher's armoedige credo 'there's no such thing as society' overboord en concentreren we ons op processen en instituten die bijdragen aan een sterke samenleving, zoals goede scholen, het familie leven, collegialiteit op het werk, vakmanschap en de waardering daarvoor, met duurzaamheid en gezondheid als criteria.

Kortom, de toekomst zit niet in de economie, it's in society, stupid!